ECLI:NL:RBAMS:2020:6368
Rechtbank Amsterdam
- Voorlopige voorziening+bodemzaak
- Rechtspraak.nl
Afwijzing urgentieverklaring wegens ontbreken urgent huisvestingsprobleem na relatiebreuk
Verzoekster en haar ex-partner zijn uit elkaar en verzoekster woont nog steeds in de huurwoning die op naam van de ex-partner staat. Zij heeft een urgentieverklaring aangevraagd omdat zij vreest dakloos te worden, mede vanwege de specialistische begeleiding van haar kind in Amsterdam.
Het college heeft de aanvraag geweigerd omdat verzoekster de relatiebreuk niet heeft aangetoond door ten minste drie maanden elders te wonen en geen poging heeft gedaan de woning op basis van het huurrecht op te eisen. Ook is er volgens het college geen urgent huisvestingsprobleem omdat verzoekster nog in de woning verblijft en het gezin nog een dak boven het hoofd heeft.
De voorzieningenrechter stelt vast dat het college terecht heeft geweigerd op grond van de Huisvestingsverordening Amsterdam 2020 en de Nadere regels. De medische situatie van het kind rechtvaardigt volgens de rechter geen uitzondering via de hardheidsclausule. Het beroep wordt ongegrond verklaard en het verzoek om voorlopige voorziening afgewezen.
Er is geen aanleiding voor proceskostenveroordeling of vergoeding van griffierecht. Tegen deze uitspraak staat hoger beroep open bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.
Uitkomst: Het beroep van verzoekster tegen de weigering van een urgentieverklaring wordt ongegrond verklaard en het verzoek om voorlopige voorziening afgewezen.