ECLI:NL:RBAMS:2020:658

Rechtbank Amsterdam

Datum uitspraak
16 januari 2020
Publicatiedatum
5 februari 2020
Zaaknummer
677104/19-7908
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Beschikking
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 16 Wet BOPZArt. 60 Wet BOPZ§ 2 hoofdstuk 2 Wet BOPZ
Verwijzingen
2 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing machtiging voortgezet verblijf in verpleeginrichting

De officier van justitie verzocht om een machtiging tot voortgezet verblijf van betrokkene in een verpleeginrichting. Betrokkene gaf aan liever thuis te willen wonen, maar erkende dat zelfstandig wonen niet meer mogelijk is en haar woning inmiddels is verkocht. Tijdens de mondelinge behandeling waren betrokkene, haar raadsvrouw, een specialist ouderengeneeskunde en een verpleegkundige aanwezig.

De raadsvrouw pleitte voor afwijzing van het verzoek, stellende dat de BOPZ-maatregel vervangen kan worden door een opname op grond van artikel 60, omdat betrokkene bereid is het verblijf op vrijwillige basis voort te zetten. De specialist ouderengeneeskunde bevestigde dat betrokkene rustig is, niet wegloopt, maar risico loopt op vallen en zelfverwaarlozing vanwege gebrek aan ziektebesef. Er waren reeds vijf vergeefse aanvragen voor een artikel 60 indicatie Pro gedaan.

De rechtbank concludeerde dat betrokkene de situatie feitelijk accepteert en dat een rechterlijke machtiging niet noodzakelijk is. De rechtbank wees het verzoek af en merkte op dat een artikel 60 indicatie Pro meer passend zou zijn. De beschikking werd gegeven door rechter H.M. Patijn op 16 januari 2020.

Uitkomst: Verzoek tot machtiging voortgezet verblijf in verpleeginrichting is afgewezen omdat betrokkene vrijwillig verblijft.

Uitspraak

beschikking
RECHTBANK AMSTERDAM
Afdeling privaatrecht Team Familie & Jeugd
zaaknummer / rekestnummer: 677104/19-7908
kenmerk: OMZ390630
Beschikking van 16 januari 2020 betreffende machtiging voortgezet verblijf
De officier van justitie heeft op 16 december 2019 een verzoek ingediend tot het verlenen van een machtiging tot voortgezet verblijf in een verpleeginrichting van:
[betrokkene] ,
geboren op [geboortedatum] 1933 ,
wonende te [woonplaats] , [adres] ,
verblijvende te Zorgcentrum Meerlanden, locatie Kloosterhof, Clematisstraat 16 te Aalsmeer.
De rechtbank heeft kennisgenomen van de stukken, waaronder een op 13 december 2019 ondertekende en met redenen omklede geneeskundige verklaring als bedoeld in artikel 16 van Pro de Wet bijzondere opnemingen in psychiatrische ziekenhuizen (Wet BOPZ) van M.P.J. Heems, geneesheer-directeur van het genoemde ziekenhuis.
Het verzoek is behandeld op de mondelinge behandeling van 16 januari 2020.
Gehoord en/of aanwezig zijn:
betrokkene;
raadsvrouw betrokkene, mr. C.E. Stassen-Buijs te Amsterdam;
specialist ouderengeneeskunde, mevrouw M.V. Gourvanova;
verpleegkundige.

1.De beoordeling

Uit de overgelegde stukken, het gehouden verhoor en de verkregen inlichtingen is het volgende gebleken.
Betrokkene heeft op de mondelinge behandeling meegedeeld dat zij het liefst thuis zou willen wonen. Desalniettemin erkent zij dat het niet meer mogelijk is om zelfstandig thuis te wonen. Bovendien is haar woning inmiddels verkocht. Zij maakt het goed en heeft een fijne plek binnen de verpleeginrichting. Zij zal daarom de verpleeginrichting dan ook niet gaan verlaten.
De raadsvrouw heeft afwijzing van het onderhavige verzoek bepleit. De zitting is ontzettend belastend voor betrokkene. De raadsvrouw begrijpt dan ook niet waarom de Bopz maatregel niet kan worden vervangen door een opname volgens artikel 60. De machtiging is immers feitelijk niet nodig. Natuurlijk wil betrokkene het liefst naar huis maar zij begrijpt ook dat dat niet meer tot de mogelijkheden behoort. Bovendien is haar eigen woning verkocht. De raadsvrouw van betrokkene heeft geconcludeerd tot afwijzing van het onderhavige verzoek omdat er bij betrokkene voldoende sprake is van een bereidheid om het verblijf in de verpleeginrichting op vrijwillige basis te continueren.
De specialist ouderengeneeskunde heeft op de mondelinge behandeling meegedeeld dat betrokkene in de kliniek rustig is en niet wegloopt. Het gevaar dat zich zal verwezenlijken indien betrokkene niet in een verpleeginrichting verblijft is het valgevaar en gevaar op zelfverwaarlozing. Zij is een paar dagen geleden weer gevallen waardoor zij onder de blauwe plekken zit. Het valgevaar van betrokkene vloeit voort uit haar gebrek aan ziektebesef en –inzicht. Betrokkene eet en drinkt wel. Echter, zij doet dit niet op eigen initiatief. Haar eten en drinken dient voor haar klaar gezet te worden alvorens zij wat tot zich neemt. Tot slot heeft de specialist ouderengeneeskunde meegedeeld dat er vijf keer tevergeefs een artikel 60 indicatie Pro is aangevraagd. Betrokkene geeft uitsluitend op de momenten dat er actief naar gevraagd wordt aan dat zij naar huis wil. Bovendien heeft zij tot op heden nog geen enkele keer een poging ondernomen om de verpleeginrichting te verlaten.
De rechtbank ziet, gelet op hetgeen op de mondelinge behandeling naar voren is gebracht, aanleiding het onderhavige verzoek af te wijzen nu betrokkene op vrijwillige basis haar verblijf in de verpleeginrichting kan continueren. De rechtbank acht een rechterlijke machtiging in onderhavig geval niet noodzakelijk omdat betrokkene de situatie feitelijk accepteert. De rechtbank merkt hierbij op dat een artikel 60 indicatie Pro meer passend zou zijn geweest.
De rechtbank heeft acht geslagen op het bepaalde in § 2 van hoofdstuk 2 van de Wet BOPZ.

2.De beslissing

De rechtbank:
wijst afmachtiging tot voortgezet verblijf van betrokkene in een verpleeginrichting.
Deze beschikking is gegeven door mr. H.M. Patijn, rechter, in tegenwoordigheid van S. Bien griffier, op 16 januari 2020.