ECLI:NL:RBAMS:2020:658
Rechtbank Amsterdam
- Beschikking
- Rechtspraak.nl
Afwijzing machtiging voortgezet verblijf in verpleeginrichting
De officier van justitie verzocht om een machtiging tot voortgezet verblijf van betrokkene in een verpleeginrichting. Betrokkene gaf aan liever thuis te willen wonen, maar erkende dat zelfstandig wonen niet meer mogelijk is en haar woning inmiddels is verkocht. Tijdens de mondelinge behandeling waren betrokkene, haar raadsvrouw, een specialist ouderengeneeskunde en een verpleegkundige aanwezig.
De raadsvrouw pleitte voor afwijzing van het verzoek, stellende dat de BOPZ-maatregel vervangen kan worden door een opname op grond van artikel 60, omdat betrokkene bereid is het verblijf op vrijwillige basis voort te zetten. De specialist ouderengeneeskunde bevestigde dat betrokkene rustig is, niet wegloopt, maar risico loopt op vallen en zelfverwaarlozing vanwege gebrek aan ziektebesef. Er waren reeds vijf vergeefse aanvragen voor een artikel 60 indicatie Pro gedaan.
De rechtbank concludeerde dat betrokkene de situatie feitelijk accepteert en dat een rechterlijke machtiging niet noodzakelijk is. De rechtbank wees het verzoek af en merkte op dat een artikel 60 indicatie Pro meer passend zou zijn. De beschikking werd gegeven door rechter H.M. Patijn op 16 januari 2020.
Uitkomst: Verzoek tot machtiging voortgezet verblijf in verpleeginrichting is afgewezen omdat betrokkene vrijwillig verblijft.