ECLI:NL:RBAMS:2020:6811

Rechtbank Amsterdam

Datum uitspraak
26 november 2020
Publicatiedatum
30 december 2020
Zaaknummer
C/13/693419 / HA RK 338.2020
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Wraking
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 512 SvArt. 182 Sv
Verwijzingen
4 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing wrakingsverzoek tegen rechter-commissaris wegens vermeende partijdigheid

Verzoeker, verdachte in een strafzaak, diende een wrakingsverzoek in tegen de rechter-commissaris omdat deze het verzoek tot het aansluitend horen van drie getuigen niet honoreerde. Verzoeker stelde dat hierdoor het verdedigingsbelang en de waarheidsvinding werden geschaad, en dat de rechter daardoor de schijn van partijdigheid wekte.

De wrakingskamer overwoog dat een rechterlijke (tussen)beslissing op zichzelf geen grond voor wraking kan zijn, conform de jurisprudentie van de Hoge Raad. De kamer stelde dat er geen objectief gerechtvaardigde schijn van vooringenomenheid bestond en dat de beslissing van de rechter-commissaris om het verhoor niet aan te houden geen persoonlijke benadeling van verzoeker inhoudt.

Daarom werd het wrakingsverzoek kennelijk ongegrond verklaard en afgewezen zonder mondelinge behandeling. Tegen deze beslissing staat geen rechtsmiddel open.

Uitkomst: Het wrakingsverzoek tegen de rechter-commissaris is afgewezen wegens gebrek aan gegronde aanwijzingen voor vooringenomenheid.

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

Wrakingskamer
Beslissing op het op 23 november 2020 ingekomen en onder rekestnummer C/13/693419 / HA RK 20/338 ingeschreven verzoek van:
[verzoeker],
verzoeker,
met gekozen domicilie te [woonplaats] ,
raadsman mr. M.P.M. Balemans,
welk verzoek strekt tot wraking van mr. H.J. Fehmers, rechter-commissaris, hierna te noemen de rechter.

1.Verloop van de procedure

1.1.
De rechtbank heeft kennisgenomen van het navolgende processtuk:
 het verzoekschrift met bijlagen van 20 november 2020.
1.2.
De rechter heeft niet in de wraking berust.

2.De feiten en het verzoek

2.1.
Verzoeker is verdachte in de strafzaak met parketnummer 13/232578-20. Deze zaak is bij de rechter in behandeling. Bij beschikking op verzoek ex artikel 182 van Pro het Wetboek van Strafvordering (Sv) van 17 november 2020 heeft de rechter het horen van drie getuigen gelast. Bij e-mail van 18 november 2020 heeft de griffier van de rechter aan de raadsman meegedeeld dat de drie getuigen tegen 23 november 2020 zouden worden opgeroepen. Blijkens deze e-mail zouden zij aansluitend aan elkaar worden gehoord. Bij e-mail van 19 november 2020 heeft de griffier aan de raadsman meegedeeld dat één getuige op 23 november 2020 verhinderd was en dat de andere twee getuigen hun komst bevestigd hadden. Bij e-mail van 19 november 2020 heeft de raadsman aan de griffier verzocht om de verhoren van de getuigen op een andere dag te plannen, omdat hij de rechter reeds uitdrukkelijk had aangegeven dat hij alle getuigen aansluitend aan elkaar wilde horen. Op 20 november 2020 heeft de rechter mr. Balemans telefonisch laten weten dat hij het verzoek niet zou honoreren.
2.2.
Aan het verzoek is ten grondslag gelegd dat de rechter welbewust in strijd heeft gehandeld met het verdedigingsbelang, waarmee de waarheidsvinding ten nadele van verzoeker geweld kan worden aangedaan. Daardoor is de objectief gerechtvaardigde schijn gewekt dat de rechter niet meer onpartijdig is. De gevraagde getuigen zijn de verbalisanten die een proces-verbaal van bevindingen hebben opgemaakt. De inhoud daarvan wordt door verzoeker betwist. Het aansluitend horen van de verbalisanten is voor verzoeker van groot belang wegens het vermijden van collusiegevaar. Indien dat belang wordt geschaad is dat ten nadele van de verdediging. De rechter heeft het belang van het aaneengesloten horen in eerste instantie ook erkend. Als reden het verhoor door te laten gaan werd desgevraagd vermeld dat het zo gepland is. Kennelijk is de planning ineens belangrijker dan het evidente belang van de verdediging.

3.De beoordeling

3.1.
Op grond van artikel 512 Sv Pro kan een rechter worden gewraakt op grond van feiten en omstandigheden waardoor de rechterlijke onpartijdigheid schade zou kunnen lijden.
3.2.
Als uitgangspunt voor de beoordeling geldt dat de rechter krachtens zijn aanstelling moet worden vermoed onpartijdig te zijn, behoudens bewijs van het tegendeel.
3.3.
In zijn arrest van 25 september 2019 (HR 25 september 2018, ECLI:NL:HR:2018:1413) heeft de Hoge Raad overwogen dat
het gesloten stelsel van rechtsmiddelen meebrengt dat een rechterlijke (tussen)beslissing als zodanig nimmer grond kan vormen voor wraking: wraking is geen verkapt rechtsmiddel. Het gerecht dat over het wrakingsverzoek moet oordelen (de wrakingskamer) komt geen oordeel toe over de juistheid van de (tussen)beslissing noch over het verzuim te beslissen. Dat oordeel is voorbehouden aan de rechter die in geval van de aanwending van een rechtsmiddel belast is met de behandeling van de zaak.
Bij de beantwoording van de vraag of de motivering van een dergelijke (tussen)beslissing getuigt van vooringenomenheid, moet uitgangspunt zijn dat het gesloten stelsel van rechtsmiddelen zich evenzeer ertegen verzet dat die motivering grond kan vormen voor wraking, ook indien het gaat om een door de wrakingskamer onjuist, onbegrijpelijk, gebrekkig of te summier geachte motivering of om het ontbreken van een motivering. Dit is uitsluitend anders indien de motivering van de (tussen)beslissing in het licht van alle omstandigheden van het geval en naar objectieve maatstaven gemeten - bijvoorbeeld door de in de motivering gebezigde bewoordingen - niet anders kan worden verstaan dan als blijk van vooringenomenheid van de rechter die haar heeft gegeven.
3.4.
In het licht van bovenstaand arrest heeft verzoeker geen valide grond aangevoerd waaruit (de schijn van) vooringenomenheid van de rechter jegens hem kan worden afgeleid. De beslissing van de rechter om het verhoor van de getuigen niet aan te houden, nu één van hen verhinderd was, vormt geen grond voor wraking.
Bovendien heeft verzoeker niets gesteld waaruit zou kunnen blijken dat de rechter (de objectief gerechtvaardigde schijn heeft gewekt dat hij) hem wilde benadelen. De door verzoeker weergegeven motivering van de rechter heeft geen betrekking op de persoon van verzoeker, laat staan dat die de motivering blijk geeft van vooringenomenheid.
3.5.
Het verzoek is daarom kennelijk ongegrond. Een mondelinge behandeling kan achterwege blijven.
4. Op grond van het vorenstaande wordt beslist als volgt.
BESLISSING
De Wrakingskamer:
 wijst het verzoek tot wraking af.
Aldus gegeven door mrs. N.C.H. Blankevoort, voorzitter, P.B. Martens en K.A. Brunner, leden en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 26 november 2020 in tegenwoordigheid van de griffier.
Tegen deze beslissing staat geen rechtsmiddel open.