Uitspraak
RECHTBANK AMSTERDAM
beschikking van de kantonrechter
de vereniging met volledige rechtsbevoegdheid [verzoekster]
[verweerder] h.o.d.n. [handelsnaam]
VERLOOP VAN DE PROCEDURE
Uitgangspunten
Opdracht
Verzoek
primairom haar niet-ontvankelijk te verklaren in haar verzoek ex art 7:291 lid 2 jo Pro lid 3 BW omdat er geen goedkeuring van artikel 2.2, 2.4 en 2.5 van de overeenkomst (zie 1.4) nodig is en
subsidiairom die bedingen goed te keuren.
primaireverzoek ten grondslag dat geen sprake is van huur althans niet van 290-bedrijfsruimte. Partijen hebben volgens [verzoekster] uitdrukkelijk gekozen voor een overeenkomst van opdracht, waarin de opdracht aan [verweerder] centraal staat. De horecafaciliteiten op het terrein hebben een ondergeschikte functie omdat het golfen centraal staat. In een eerdere procedure bij de rechtbank Amsterdam heeft [verweerder] ook niet als verweer gevoerd dat niet de rechtbank maar de kantonrechter bevoegd was. In ieder geval is geen sprake van huur van bedrijfsruimte in de zin van artikel 7:290 lid 1 BW Pro (hierna: 290-bedrijfsruimte) omdat de exploitatie van de horeca op de golfclub gericht is op [verzoekster] en haar leden en dus een besloten karakter heeft. Daarmee valt de overeenkomst onder het regime van artikel 7:230a BW (hierna: 230a-bedrijfsruimte). Ter onderbouwing van haar
subsidiaireverzoek stelt [verzoekster] dat de rechten van [verweerder] niet wezenlijk worden aangetast door de bedingen 2.2, 2.4 en 2.5 in de overeenkomst (zie 1.4). Partijen hebben bij aanvang van de overeenkomst bewust gekozen voor een aan de initiële huurovereenkomst met NS gekoppelde vaste termijn van zeven jaar en drie maanden en beide partijen hebben baat bij de mogelijkheid van tussentijdse opzegging. Ook grondt [verzoekster] haar verzoek op de stelling dat de maatschappelijke positie van [verweerder] in vergelijking met die van [verzoekster] niet zodanig is dat hij in redelijkheid de bescherming van artikel 7:290 e.v. BW behoeft. [verweerder] is een professionele partij met twee vestigingen, terwijl [verzoekster] een vrijwilligersorganisatie is, aldus [verzoekster] .
Verweer
Voorwaardelijk tegenverzoek
primairhem niet-ontvankelijk te verklaren omdat [verzoekster] in haar brief van 20 mei 2020 (zie 1.5) de ontruiming niet rechtsgeldig heeft aangezegd. Daarmee is niet voldaan aan artikel 7:230a lid 1 BW en is de daarin genoemde twee maanden termijn niet gaan lopen.
Subsidiairstelt [verweerder] zich op het standpunt dat zijn belangen bij voortgezet gebruik na 31 december 2020 zwaarder wegen dan de belangen van [verzoekster] bij beëindiging. [verweerder] moet zijn investeringen nog terugverdienen en zijn personeel aan het werk houden.
Beoordeling
“Hoe zie jij de afhankelijkheid/samenwerking tussen de Horeca en de club?”het volgende antwoord van [verweerder] :
“Horeca en club zijn onafscheidelijk van elkaar”. Dit duidt dus juist op een besloten karakter. Ook de overgelegde omzetgegevens van de vorige uitbater en de foto’s kunnen de stellingen van [verweerder] niet dragen. Uit de omzetgegevens kan hooguit worden afgeleid dat het de bedoeling was dat [verweerder] een hogere omzet zou genereren dat de vorige uitbater en uit de foto’s dat [verweerder] de meubels en inrichting heeft gemoderniseerd. Dat is iets anders dan dat partijen bij het aangaan van de overeenkomst een open karakter van de horecafaciliteit hebben beoogd. De reclame die voor het restaurant wordt gemaakt bij de afslag en op internet is op zich een aanwijzing voor het door [verweerder] gestelde open karakter, maar kan ook gericht zijn op de leden zelf en legt tegenover het voorgaande onvoldoende gewicht in de schaal.
“Kernpunt van het probleem is dat de prioriteit in jouw dienstverlening niet bij de [verzoekster] ligt”en in de e-mailwisseling schrijven partijen:
[verzoekster] :
“We zijn het er over eens over het uitgangspunt dat de horeca ten dienste staan van de Club en niet andersom. Ik verwoord dat altijd door te zeggen dat het primaat in de relatie bij de Club ligt. Dat sluit ook aan bij wat er in de overeenkomst staat.”Gemachtigde [verweerder] :
“Dat is juist en wordt ook zodanig door [naam 3] onderkend.”
“Wij zeggen voor zoveel nodig dan ook de overeenkomst op tegen 31 december 2020. Uiterlijk op die datum zal ook de oplevering plaats moeten vinden.”Naar het oordeel van de kantonrechter kan [verweerder] die laatste zin redelijkerwijs niet anders hebben begrepen dat daarmee de ontruiming door [verzoekster] werd aangezegd. Dat [verzoekster] die woorden niet letterlijk bezigde, doet hier niet aan af.