De heffingsambtenaar legde aan eiser een naheffingsaanslag parkeerbelasting op omdat diens auto op 17 januari 2019 in een duurder tariefgebied stond geparkeerd zonder juiste betaling. In bezwaar werd de aanslag herroepen omdat de tariefgrens mogelijk onduidelijk was, maar proceskostenvergoeding werd geweigerd. Eiser stelde beroep in tegen deze weigering.
De rechtbank oordeelt dat proceskostenvergoeding in bezwaar alleen wordt toegekend als de herroeping het gevolg is van een aan de heffingsambtenaar te wijten onrechtmatigheid. Dit was hier niet het geval; eiser had betaald via een parkeerpaal in een andere, goedkopere zone en had zich moeten vergewissen van het juiste tarief. De heffingsambtenaar handelde uit coulance door de aanslag te herroepen.
De rechtbank constateert dat de heffingsambtenaar niet op het verzoek om proceskostenvergoeding heeft gereageerd, wat een formele tekortkoming is. Daarom wordt de beslissing op dit punt vernietigd, de herroeping van de aanslag blijft echter gehandhaafd. De heffingsambtenaar wordt veroordeeld tot vergoeding van het griffierecht en de proceskosten van eiser.