ECLI:NL:RBAMS:2020:7070
Rechtbank Amsterdam
- Kort geding
- Rechtspraak.nl
Beslag op bankrekeningen in geschil over samenwerking en facturering afgewezen
Eiser en gedaagde, beiden actief in kabel- en grondwerk, werkten samen op projecten zonder formele vennootschap onder firma. Gedaagde factureerde werkzaamheden aan eiser, die deze niet betaalde. Gedaagde legde conservatoir beslag op de bankrekeningen van eiser ter zekerheid van zijn vordering.
Eiser vorderde opheffing van het beslag, stellende dat partijen als vennoten samenwerkten en dat de projecten verliesgevend waren, waardoor gedaagde geen recht had op betaling. Eiser bood aan een auto als zekerheid te stellen. Gedaagde voerde aan dat er geen vennootschap was, maar mondelinge onderaannemingsovereenkomsten met een uurtarief van €30 en winstdeling, waarbij verlies voor rekening van eiser kwam.
De voorzieningenrechter oordeelde dat in kort geding geen definitieve vaststelling van de afspraken kon plaatsvinden en dat eiser onvoldoende aannemelijk had gemaakt dat de vordering ondeugdelijk was. Het belang van gedaagde bij behoud van het beslag woog zwaarder dan het onvoldoende onderbouwde belang van eiser. Het aanbod van zekerheid was onvoldoende gemotiveerd. De vordering tot opheffing van het beslag werd afgewezen en eiser werd veroordeeld in de proceskosten.
Uitkomst: De vordering tot opheffing van het conservatoir beslag wordt afgewezen en eiser wordt veroordeeld in de proceskosten.