ECLI:NL:RBAMS:2020:7181
Rechtbank Amsterdam
- Eerste aanleg - meervoudig
- Rechtspraak.nl
Afwijzing ontnemingsvordering wegens onvoldoende aanwijzingen voor afpersing
De rechtbank Amsterdam behandelde op 9 oktober 2020 de ontnemingsvordering van het Openbaar Ministerie tegen veroordeelde, die eerder was veroordeeld voor dwang, valsheid in geschrift en wapenbezit. De vordering betrof het vaststellen en ontnemen van wederrechtelijk verkregen voordeel van €348.147,47, gebaseerd op een ander strafbaar feit, namelijk afpersing van een derde tussen 2010 en 2013.
De rechtbank oordeelde bevoegd te zijn de vordering te behandelen, aangezien de ontnemingsprocedure een voortzetting is van de onderliggende strafzaak. Het Openbaar Ministerie was ontvankelijk in haar vordering, daar geen sprake was van misbruik van bevoegdheid.
Inhoudelijk onderzocht de rechtbank of er voldoende aanwijzingen waren dat veroordeelde de derde had afgeperst of gedwongen tot betalingen. Hoewel er dreigende chat- en telefoongesprekken uit eind 2013 waren, ontbraken aanwijzingen voor afpersing in de gehele periode en was onduidelijk welke betalingen aan deze gesprekken waren gekoppeld. Bovendien ontkenden zowel veroordeelde als de derde dat er sprake was van dwang.
De rechtbank concludeerde dat de bewijslast niet voldeed aan het criterium van 'voldoende aanwijzingen' en wees de ontnemingsvordering af. Hiermee werd vastgesteld dat het wederrechtelijk verkregen voordeel niet kon worden vastgesteld en ontnomen.
Uitkomst: De rechtbank wijst de ontnemingsvordering af wegens onvoldoende aanwijzingen voor afpersing en wederrechtelijk verkregen voordeel.