Uitspraak
RECHTBANK AMSTERDAM
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 7 februari 2020 in de zaken tussen
[eiser] , te Amsterdam, eiser
de heffingsambtenaar van de gemeente Amsterdam,
Procesverloop
Overwegingen
- 27 december 2018 om 11:36 uur ter hoogte van [straat 1] ;
- 28 december 2018 om 19:53 uur ter hoogte van [straat 1] ;
- 29 december 2018 om 11:44 uur ter hoogte van [straat 1] ;
- 29 december 2018 om 17:35 uur ter hoogte van [straat 2] ;
- 2 januari 2019 om 11:41 uur te hoogte van [straat 3] ;
- 3 januari 2019 om 17:44 uur te hoogte van [straat 4] ;
- 5 januari 2019 om 18:12 uur te hoogte van [straat 5] ;
- 8 januari 2019 om 20:34 uur te hoogte van [straat 1] ;
- 9 januari 2019 om 17:55 uur te hoogte van [straat 3] ;
- 10 januari 2019 om 11:45 uur te hoogte van [straat 3] ;
- 10 januari 2019 om 20:41 uur te hoogte van [straat 5] ;
- 11 januari 2019 om 19:48 uur te hoogte van [straat 6] ;
- 12 januari 2019 om 20:30 uur te hoogte van [straat 7] ;
- 14 januari 2019 om 09:02 uur te hoogte van [straat 8] .
per kalenderdageenmaal de kosten van het opleggen van een naheffingsaanslag in rekening brengen als een auto zonder parkeerrecht op dezelfde parkeerplaats geparkeerd blijft staan. In dit geval is niet gebleken dat de heffingsambtenaar in strijd met artikel 234 van Pro de Gemeentewet aanslagen heeft opgelegd. De aanslagen zijn hier voor het merendeel op afzonderlijke kalenderdagen opgelegd. Alleen op 29 december 2018 en 10 januari 2019 zijn er elke keer per kalenderdag twee aanslagen opgelegd. Aangezien toen echter geen sprake was van parkeren voor een aaneengesloten periode op dezelfde parkeerplaats, zo blijkt uit de stukken in het dossier, is geen sprake van strijd met de regelgeving. Eiser heeft op zitting nog gevraagd om coulance van de heffingsambtenaar. Op grond van de regelgeving is de heffingsambtenaar echter niet verplicht om in dit soort situaties coulance toe te passen.
Gerechtvaardigd vertrouwen?
Beslissing
.De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 7 februari 2020.