Uitspraak
RECHTBANK AMSTERDAM
1.De procedure
2.De feiten
3.Het geschil
4.De beoordeling
980,00
Rechtbank Amsterdam
De zaak betreft een vordering van [eiseres] B.V. tegen ING Bank N.V. waarin [eiseres] eist dat ING de zakelijke bankrelatie onvoorwaardelijk voortzet en haar persoonsgegevens uit het interne verwijzingsregister verwijdert. ING had de relatie opgezegd vanwege mogelijke indirecte geldstromen gelieerd aan Cuba, een land dat ING als hoog risico aanmerkt vanwege internationale sancties.
De voorzieningenrechter overweegt dat ING op grond van wettelijke verplichtingen uit de Wft en Wwft periodiek onderzoek moet doen naar het gebruik van rekeningen en dat dit kan leiden tot beëindiging van de bankrelatie. Het UHRC-beleid van ING, dat Cuba als risicoland aanmerkt, is ingegeven door zakelijke afwegingen en leidt ertoe dat ING de relatie kan opzeggen bij betrokkenheid met Cuba.
Hoewel [eiseres] stelt dat dit beleid in strijd is met de EG-Verordening 2271/96 en de Nederlandse Uitvoeringswet en dat een opzegging nietig zou zijn, is onvoldoende aannemelijk gemaakt dat de bodemrechter dit zo zal beoordelen. Ook is niet duidelijk of [eiseres] zonder haar ING-rekening handel kan drijven met Cuba. De vorderingen worden daarom afgewezen en [eiseres] wordt veroordeeld in de proceskosten.
Uitkomst: De vordering tot onvoorwaardelijke voortzetting van de bankrelatie wordt afgewezen en [eiseres] wordt veroordeeld in de proceskosten.