Uitspraak
RECHTBANK AMSTERDAM
1.Onderzoek ter terechtzitting
2.Tenlastelegging
3.Waardering van het bewijs
opmerking rechtbank: W is aangeefster en M is verdachte).
Rechtbank Amsterdam
Op 26 juni 2019 vonden seksuele handelingen plaats tussen verdachte en aangeefster in de woning van verdachte. Aangeefster verklaarde dat zij meerdere keren heeft gezegd dat verdachte moest stoppen en dat zij de handelingen niet wilde. Verdachte erkende de handelingen, maar stelde dat hij niet wist dat deze tegen de wil van aangeefster waren en dat hij meende dat zij toestemming gaf.
De officier van justitie stelde dat verdachte door geweld, bedreiging of andere feitelijkheden dwang had uitgeoefend, ondersteund door verklaringen, een geluidsopname en de kwetsbaarheid van aangeefster. De verdediging voerde aan dat er geen wettig en overtuigend bewijs was voor dwang en opzet, en dat de verklaringen tegenstrijdigheden bevatten.
De rechtbank oordeelde dat hoewel seksuele handelingen plaatsvonden en aangeefster deze niet wilde, onvoldoende bewijs was voor het bestaan van dwang door geweld, bedreiging of andere feitelijkheden. De omstandigheden, waaronder het fysieke voorkomen en de leeftijd van partijen, en het feit dat zij samen in dezelfde kamer verbleven, maken dat geen sprake was van een overwichtsituatie. Ook was niet aannemelijk dat verdachte wist dat de handelingen tegen de wil van aangeefster waren.
De rechtbank sprak verdachte vrij van het ten laste gelegde feit. De vordering van de benadeelde partij tot schadevergoeding werd niet-ontvankelijk verklaard omdat het feit niet bewezen werd geacht. De benadeelde partij kan haar vordering bij de burgerlijke rechter voortzetten.
Uitkomst: Verdachte wordt vrijgesproken wegens ontbreken van bewijs voor dwang en opzet bij aanranding.