De zaak betreft een beroepschrift tegen het besluit van het college van burgemeester en wethouders van Amsterdam tot intrekking van een vergunning omdat de vergunninghouder deze meer dan 26 weken niet heeft gebruikt. Eisers hebben het beroep ingetrokken nadat verweerder het besluit had ingetrokken.
De rechtbank stelt vast dat het bestreden besluit inderdaad is ingetrokken, waarmee verweerder aan het beroep tegemoet is gekomen. Hoewel de intrekking niet is gebaseerd op de beroepsgronden, volgt de rechtbank vaste jurisprudentie dat in dergelijke gevallen een proceskostenvergoeding wordt toegekend.
Verweerder had de vergunninghouder herhaaldelijk verzocht in te stemmen met de intrekking vanwege het niet-gebruik. De rechtbank veroordeelt verweerder daarom tot een forfaitaire vergoeding van €534,- aan proceskosten en tot vergoeding van het betaalde griffierecht van €170,-.
De uitspraak is gedaan door rechter B.C. Langendoen en griffier M.P. Osinga Sanders op 19 februari 2021. Partijen kunnen binnen zes weken hoger beroep instellen bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.