ECLI:NL:RBAMS:2021:1519
Rechtbank Amsterdam
- Kort geding
- Rechtspraak.nl
Afwijzing schorsing executie verstekvonnis ontruiming sociale huurwoning
De zaak betreft een executiegeschil over een verstekvonnis waarbij de huurder is veroordeeld tot ontruiming van een sociale huurwoning en betaling van huurachterstand en een boete. De huurder verzocht om schorsing van de executie totdat in de verzetprocedure is beslist.
De kantonrechter overweegt dat het verstekvonnis uitvoerbaar bij voorraad is verklaard en dat het uitgangspunt is dat het vonnis ten uitvoer kan worden gelegd zolang het verzet nog niet is beslist. Afwijking hiervan kan alleen als het belang van de huurder bij behoud van de woning zwaarder weegt dan het belang van de verhuurder bij onmiddellijke uitvoering.
De huurder stelde dat het verstekvonnis kennelijke misslagen bevat, onder meer dat een betaling niet was verrekend en dat de boete onterecht is opgelegd. De kantonrechter volgt dit niet en stelt vast dat de ontruiming ook is toegewezen wegens illegale prostitutie in de woning. De huurder heeft onvoldoende onderbouwd dat hij niet verantwoordelijk is voor deze activiteiten.
Gezien het belang van de verhuurder om op te treden tegen ernstige tekortkomingen en de leefbaarheid van de wijk te beschermen, weegt dit zwaarder dan het belang van de huurder bij behoud van de woning. Het verzoek tot schorsing wordt daarom afgewezen en de huurder wordt veroordeeld in de proceskosten.
Uitkomst: Het verzoek tot schorsing van de executie van het verstekvonnis tot ontruiming wordt afgewezen.