Uitspraak
RECHTBANK AMSTERDAM
1.De procesgang
2.De inhoud van het klaagschrift
3.Het standpunt van het Openbaar Ministerie
4.De beoordeling
5.De beslissing
gegrond.
Rechtbank Amsterdam
Op 12 december 2020 werd klager aangehouden wegens rijden onder invloed met een ademalcoholgehalte van 685 microgram per liter uitgeademde lucht. Het rijbewijs van klager werd op 13 december 2020 ingevorderd en op 22 december 2020 besloot de officier van justitie tot een inhouding van vier maanden.
Klager diende een klaagschrift in op grond van artikel 164 lid 8 van Pro de Wegenverkeerswet 1994, met het verzoek om teruggave van het rijbewijs. De raadsman van klager benadrukte de noodzaak van het rijbewijs voor het werk als zzp’er loodgieter en erkende de ernst van het feit.
De officier van justitie verzette zich niet tegen teruggave, gelet op het ontbreken van een zittingsdatum en de onwenselijkheid van de huidige situatie. De rechtbank oordeelde dat de inhouding rechtmatig was, maar dat rekening moest worden gehouden met de persoonlijke omstandigheden van klager en de verwachting dat een onvoorwaardelijke ontzegging korter zal zijn dan de duur van de inhouding.
Daarom verklaarde de rechtbank het klaagschrift gegrond en gelastte de teruggave van het rijbewijs. Tegen deze beschikking staat beroep in cassatie open bij de Hoge Raad binnen veertien dagen na betekening.
Uitkomst: Het klaagschrift wordt gegrond verklaard en het rijbewijs wordt aan klager teruggegeven.