ECLI:NL:RBAMS:2021:1683
Rechtbank Amsterdam
- Wraking
- Rechtspraak.nl
Afwijzing wrakingsverzoek tegen voorzieningenrechter in kort geding
Verzoeker diende een wrakingsverzoek in tegen mr. C.M.E. de Koning, voorzieningenrechter in een lopend kort geding waarbij verzoeker gedaagde partij is. Het verzoek betrof vermeende onpartijdigheid van de rechter, onder meer omdat verzoeker zich niet in de gelegenheid gesteld voelde om verweer te voeren tegen laster en omdat de rechter slechts geïnteresseerd zou zijn in veroordeling.
De wrakingskamer overwoog dat het wrakingsverzoek tijdig was ingediend en dat een rechter krachtens zijn aanstelling wordt vermoed onpartijdig te zijn, tenzij het tegendeel wordt bewezen. De kamer verwees naar de jurisprudentie van de Hoge Raad die stelt dat een rechterlijke beslissing zelf geen grond voor wraking kan zijn, tenzij sprake is van objectief vaststelbare vooringenomenheid.
De wrakingskamer concludeerde dat verzoeker geen valide feiten of omstandigheden had aangevoerd die de schijn van vooringenomenheid konden wekken. Ook de verwijten over het niet toelaten van verweer en vermeende partijdigheid waren niet feitelijk onderbouwd. De klachten over eerdere beslissingen van andere rechters waren niet relevant voor de beoordeling van de onpartijdigheid van de voorzieningenrechter.
Daarom werd het wrakingsverzoek kennelijk ongegrond verklaard en afgewezen. Een mondelinge behandeling van het wrakingsverzoek werd niet noodzakelijk geacht. Tegen deze beslissing staat geen rechtsmiddel open.
Uitkomst: Het wrakingsverzoek tegen de voorzieningenrechter is afgewezen wegens gebrek aan gegronde aanwijzingen voor vooringenomenheid.