Uitspraak
RECHTBANK AMSTERDAM
- het proces-verbaal van de zitting van de enkelvoudige kamer op 17 maart 2021 met daarin opgenomen de gronden tot wraking;
- de schriftelijke reactie van de rechter.
Rechtbank Amsterdam
Verzoeker diende een wrakingsverzoek in tegen mr. J.H.M. van de Ven, bestuursrechter te Amsterdam, naar aanleiding van een mondelinge behandeling op 17 maart 2021. Verzoeker stelde dat de rechter onpartijdigheidsschending beging door het niet opvolgen van verzoeken, het niet verlenen van volledige inzage in stukken, twijfel over de bevoegdheid van de rechter als voorzitter en het afwijzen van een verzoek tot gevoegde behandeling.
De rechter gaf een schriftelijke reactie waarin werd toegelicht dat de beslissingen voorafgaand aan de zitting en de behandeling van de zaken in lijn waren met de vereisten van onpartijdigheid en deskundigheid. De wrakingskamer toetste het verzoek aan artikel 8:15 Awb Pro en het arrest van de Hoge Raad van 25 september 2018 (ECLI:NL:HR:2018:1413), waarin is bepaald dat rechterlijke beslissingen geen grond voor wraking kunnen vormen.
De wrakingskamer concludeerde dat het verzoek kennelijk ongegrond was omdat er geen objectief gerechtvaardigde schijn van vooringenomenheid bestond. De beslissing tot afwijzing werd op 29 maart 2021 uitgesproken door een meervoudige kamer van de rechtbank Amsterdam, waarna geen rechtsmiddel meer openstond.
Uitkomst: Het wrakingsverzoek tegen de bestuursrechter is afgewezen wegens het ontbreken van gegronde aanwijzingen voor onpartijdigheidsschending.