Uitspraak
RECHTBANK AMSTERDAM
vonnis van de kantonrechter
[eiseres]
[gedaagde]
VERDERE VERLOOP VAN DE PROCEDURE
GRONDEN VAN DE BESLISSING
De verdere beoordeling
Bewijsopdracht
Als reden voor de opzegging noemde mevrouw [gedaagde] dat zij hun eigen huis in [woonplaats] uit moesten. Daarvan was de huur door de verhuurder opgezegd. Het gaat daarbij om mevrouw [gedaagde] , haar vriend en haar twee kinderen.” en “
[naam 2] was geen participant van het gesprek maar heeft het gesprek wel vanuit haar kamer en deels vanuit de deuropening gehoord. Daarna heb ik haar uitgelegd wat was besproken in het gesprek en het er met haar over gehad.” Ook geeft [eiseres] in haar verklaring aan dat zij na het gesprek contact met [naam 1] heeft gehad en in de avond [naam 1] en haar vader nog via de telefoon heeft gesproken. [naam 2] verklaart dat er naast [gedaagde] en [eiseres] nog een persoon aanwezig was, zij geeft aan dit niet zeker te weten maar dat het volgens haar de man van [gedaagde] was. [naam 2] zegt dat zij het gesprek probeerde te volgen en echt heeft staan luisteren. [naam 2] verklaart: “
Ik heb gehoord dat mevrouw [gedaagde] en mevrouw [eiseres] met elkaar spraken. Ik meen mij te herinneren dat mevrouw [gedaagde] tegen mw. [eiseres] heeft gezegd dat mw. [eiseres] per 1 september 2018 de woning moest verlaten omdat mevrouw [gedaagde] de woning zelf nodig had voor haar familie.” Verder legt [naam 2] uit dat haar Nederlands (waarvan de kantonrechter tijdens het verhoor heeft vastgesteld dat dit zeer goed was) destijds minder goed was, maar dat zij een niet al te complex gesprek in het Nederlands kon verstaan.
Mw. [eiseres] vertelde mij dat dat mw. [gedaagde] zelf met haar gezin daar kwam wonen en dat mw. [eiseres] daarom weg moest. Mw. [eiseres] zei dat mw. [gedaagde] heel lief voor haar was geweest. Zij had zich er zorgen om gemaakt dat het door haar kwam dat mw. [gedaagde] de huurovereenkomst wilde beëindigen, maar dat was niet het geval.” Voorts acht de kantonrechter van belang dat [naam 1] heeft verklaard [gedaagde] te hebben gesproken kort na het incident dat op 23 juni 2018 had plaatsgevonden met [eiseres] , waarbij de deur van de woning was ingetrapt. [naam 1] verklaart: “
Op de 24e heb ik met mw. [gedaagde] gesproken. Mw. [eiseres] was daarvoor te verward en zat op het balkon. De politie of de ambulancemedewerkers hadden de dag ervoor de deur geforceerd. Toen ik mw. [gedaagde] sprak heeft zij mij iets gezegd in de trant van - ik durf het niet te quoten - dat zij niet wilde dat zo iemand hier woont, omdat ze anders misschien nog het huis in brand zou steken.”
Ben jij op zoek naar een huis samen met één of twee andere personen in Amsterdam (…)” De kantonrechter acht de verklaring van [gedaagde] zelf en die van haar partner die op die van haar aansluit daarmee niet geloofwaardig. Niet valt in te zien waarom [eiseres] , die die dag zelf nog een beroep op huurbescherming had gedaan, vanwege deze reden ineens met beëindiging van de huurovereenkomst zou hebben ingestemd. Bovendien doet afbreuk aan de geloofwaardigheid van [gedaagde] en haar partner dat de zus van [gedaagde] - die volgens de stellige overtuiging van [gedaagde] bij het gesprek aanwezig was, hetgeen door [eiseres] en [naam 2] is ontkend - niet als getuige is gehoord. Zij staat verder van [gedaagde] af dan haar partner met wie zij samenwoont en juíst omdat tussen partijen in geschil was wie er bij het bewuste gesprek aanwezig waren, had het voor de hand gelegen haar als getuige op te roepen en te laten horen.
Schadevergoeding
€ 311,03 aan verhuiskostenis toewijsbaar. De
opslagkosten van € 932,19zullen eveneens worden toegewezen. [gedaagde] heeft daartegen aangevoerd dat niet duidelijk is dat de opslagruimte is gebruikt voor de opslag van goederen uit de woning. Echter, gelet op de onderbouwing van deze post door het overleggen van facturen die zien op een opslagbox in de periode 31 augustus 2018 (datum ontruiming door [eiseres] ) tot en met februari 2019, is dit voldoende aangetoond. Ook heeft [eiseres] de door haar gestelde extra OV-reiskosten voldoende gemotiveerd. [eiseres] heeft toegelicht dat zij eerst bij een vriend in [woonplaats] en vervolgens bij haar moeder in [woonplaats] heeft gelogeerd en heeft een overzicht van OV-chipkaart account overgelegd. De kale betwisting door [gedaagde] daartegenover volstaat niet. Alleen de € 30,00 die wordt gevorderd omdat haar moeder [eiseres] een keer heeft moeten brengen wordt afgewezen bij gebrek aan onderbouwing. In totaal wordt
€ 693,04 aan reiskostentoegewezen. Aan
meerprijs kamerhuurwordt bij gebrek aan gemotiveerde betwisting
€ 5.700,00toegewezen (150 x 38 (februari 2019 t/m april 2021)). Voor toewijzing van vergoeding van toekomstige schade is onvoldoende gesteld. Ongewis is hoe lang [eiseres] in haar huidige woning blijft wonen, terwijl het schadetoebrengende feit op enig moment bovendien geacht moet worden te zijn ‘uitgewerkt’. Het gevorderde smartengeld wordt afgewezen omdat [eiseres] naar het oordeel van de kantonrechter daarvoor onvoldoende heeft gesteld. De
eigen bijdrage en informatiekosten, die door [eiseres] zijn onderbouwd door overlegging van facturen, zijn als onvoldoende gemotiveerd betwist eveneens toewijsbaar voor
€ 162,17.