Verzoekster heeft zich op 5 januari 2021 gemeld voor opvang op grond van de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015 (Wmo) en op 3 maart 2021 voor crisisopvang. Op 9 maart 2021 stelde zij beroep in tegen het niet tijdig beslissen op haar aanvraag tijdelijke maatwerkvoorziening. Tevens vroeg zij een voorlopige voorziening om spoedopvang voor haar en haar dochter.
De rechtbank stelt vast dat het beroep prematuur is ingediend omdat de beslistermijn van twee weken nog niet was verstreken. Uit de stukken blijkt geen noodsituatie die spoedopvang rechtvaardigt. Verzoekster verbleef tot uitspraak bij familie, hoewel de situatie daar onveilig was. Zij kan zich melden bij de GGD voor crisisopvang.
De voorzieningenrechter verklaart het beroep niet-ontvankelijk en wijst het verzoek om voorlopige voorziening af. Er is geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling. Tegen het beroep staat hoger beroep open, tegen de voorlopige voorziening niet.