Eiseres diende op 8 juli 2020 vijf Wob-verzoeken in bij het Ministerie van Infrastructuur en Waterstaat, die allen betrekking hadden op het voornemen tot onderhandse gunning van het hoofdrailnet aan de Nederlandse Spoorwegen. Verweerder had de wettelijke beslistermijn van vier weken, met een mogelijke verlenging van vier weken, overschreden zonder een besluit te nemen.
Na ingebrekestelling op 23 september 2020 en het verstrijken van meer dan twee weken, stelde eiseres op 8 februari 2021 beroep in wegens het niet tijdig beslissen. De rechtbank stelde vast dat de beslistermijn met vijf maanden was overschreden en verklaarde het beroep gegrond.
De rechtbank overwoog dat de omvangrijke aard van de verzoeken, de pandemie, beperkte personele bezetting en het hoge volume Wob-verzoeken een langere beslistermijn rechtvaardigen, maar dat verweerder toch binnen acht weken na verzending van het vonnis een besluit moet nemen. Tevens werd een dwangsom van €50 per dag per verzoek opgelegd, met een maximum van €7.500.
Verweerder werd verder opgedragen het betaalde griffierecht aan eiseres te vergoeden. Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken verzet worden ingesteld.