ECLI:NL:RBAMS:2021:230
Rechtbank Amsterdam
- Kort geding
- Rechtspraak.nl
Toewijzing eenhoofdig gezag aan vader met omgangsregeling moeder voor minderjarige dochter
Partijen zijn gescheiden en hebben een minderjarige dochter. In eerdere vonnissen werd een zorgregeling vastgesteld waarbij de dochter regelmatig bij de vader zou verblijven, maar de moeder hield zich hier niet aan. De vader vroeg en kreeg eenhoofdig gezag toegewezen, waarna hij de hoofdverblijfplaats van de dochter bij zich vestigde. De moeder stelde hoger beroep in tegen deze beschikking en vorderde in kort geding de schorsing van de beschikking en herstel van de oude situatie.
De voorzieningenrechter oordeelt dat het belang van de dochter voorop staat en dat de beslissing van de rechtbank Rotterdam, waarbij het gezag aan de vader werd toegekend, een weloverwogen beslissing is die niet ongedaan kan worden gemaakt in kort geding. Wel wordt een omgangsregeling vastgesteld waarbij de dochter deels bij de moeder verblijft, zodat zij contact kan houden met haar moeder.
De omgangsregeling voorziet in verblijf van de dochter bij de moeder van maandag tot en met vrijdag en bij de vader in het weekend, met een overgangsperiode vanwege de sluiting van scholen. De voorzieningenrechter wijst het meer of anders gevorderde af en compenseert de proceskosten tussen partijen. De moeder wordt aangespoord zich aan de rechterlijke beslissingen te houden in het belang van de dochter.
Uitkomst: De schorsing van de beschikking tot eenhoofdig gezag wordt afgewezen, maar er wordt een omgangsregeling voor de moeder vastgesteld.