ECLI:NL:RBAMS:2021:2601

Rechtbank Amsterdam

Datum uitspraak
20 mei 2021
Publicatiedatum
21 mei 2021
Zaaknummer
13/033248-21
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Vrijspraak
Procedures
  • Eerste aanleg - meervoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 36b SrArt. 36d SrOpiumwet
Verwijzingen
4 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vrijspraak wegens onvoldoende bewijs voor aanwezigheid van verdovende middelen

De rechtbank Amsterdam behandelde de zaak tegen verdachte die werd beschuldigd van medeplegen van het opzettelijk vervoeren, bewerken of voorhanden hebben van verschillende hard- en softdrugs. De tenlastelegging betrof feiten op 2 februari 2021 in Amstelveen en een datum in Amsterdam.

De officier van justitie stelde dat verdachte wetenschap had van de verdovende middelen die in tassen bij medeverdachte waren aangetroffen en dat verdachte een nauwe en bewuste samenwerking met medeverdachte had. De verdediging voerde aan dat de politie onrechtmatig de woning was binnengetreden en dat het bewijs onvoldoende was om verdachte te verbinden aan de drugs.

De rechtbank oordeelde dat ook als het bewijsmateriaal uit de woning werd meegewogen, het dossier onvoldoende was om te bewijzen dat verdachte de verdovende middelen aanwezig heeft gehad. De tassen met drugs waren bij medeverdachte aangetroffen en het was niet met voldoende zekerheid vast te stellen dat deze uit de woning van verdachte kwamen. Daarnaast bevatten de aangetroffen vellen geen verboden stoffen. Daarom sprak de rechtbank verdachte vrij van beide feiten.

Verder werden diverse drugsgerelateerde spullen onttrokken aan het verkeer en het aangetroffen geldbedrag werd bewaard ten behoeve van de rechthebbende. Het vonnis werd uitgesproken op 20 mei 2021 door de meervoudige strafkamer van de rechtbank Amsterdam.

Uitkomst: Verdachte wordt vrijgesproken wegens onvoldoende bewijs dat hij de verdovende middelen aanwezig heeft gehad.

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

VONNIS
Parketnummer: 13/033248-21 (Promis)
Datum uitspraak: 20 mei 2021
Vonnis van de rechtbank Amsterdam, meervoudige strafkamer, in de strafzaak tegen
[naam verdachte]
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum]
ingeschreven in de Basisregistratie Personen op het adres [BRP-adres]

1.Onderzoek ter terechtzitting

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 6 mei 2021.
De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie mr. F.R. Bons en van wat verdachte en zijn raadsman mr. W.H. Boomstra naar voren hebben gebracht.

2.Tenlastelegging

Verdachte wordt na wijziging van de tenlastelegging kort gezegd beschuldigd van
1: het medeplegen van het opzettelijk vervoeren, bewerken of voorhanden hebben van verschillende harddrugs op 2 februari 2021 te Amstelveen;
2: medeplegen van vervoeren, bewerken of voorhanden hebben van verschillende softdrug op [datum] te Amsterdam.
De tenlastelegging staat in de bijlage.

3.Waardering van het bewijs

3.1.
Standpunt van het Openbaar Ministerie
De officier van justitie vindt dat feit 1 bewezen kan worden. Als politieagenten een woning in de [naam flatgebouw] willen betreden op grond van verdenking van overtreding van de Opiumwet komen zij medeverdachte [naam medeverdachte] en zijn vriendin voor de woning tegen. [naam medeverdachte] geeft toestemming tot het betreden van de woning, maar vraagt of hij eerst zijn hond mag uitlaten. De vriendin van [naam medeverdachte] gaat wel de woning in. Vervolgens wordt [naam medeverdachte] buiten de woning gezien met zijn hond. [naam medeverdachte] stopt zijn hond in een voertuig en loopt terug naar de flat. Korte tijd later ziet een agent [naam medeverdachte] gebukt door bosjes lopen, hij draagt op dat moment twee tassen bij zich. Wanneer [naam medeverdachte] politieagenten ziet, rent hij weg. In de tassen van [naam medeverdachte] wordt een grote hoeveelheid verdovende middelen aangetroffen. Ook in de woning worden verdovende middelen aangetroffen. Daarnaast worden in de woning veel voorwerpen aangetroffen die in verband kunnen worden gebracht met het telen dan wel bereiden van drugs. Verdachte staat ingeschreven op het adres van deze woning en wordt in de woning aangetroffen. Verdachte heeft ter terechtzitting verklaard dat hij kort voor zijn aanhouding is verhuisd naar de betreffende woning en dat de verhuisdozen en de inhoud daarvan aan hem toebehoren, maar dat hij geen weet heeft gehad van de aanwezigheid van verdovende middelen.
De officier van justitie vindt dat de verklaring van verdachte ten aanzien van de verdovende middelen ongeloofwaardig is en stelt dat het niet anders kan dan dat de tassen met de verdovende middelen afkomstig zijn uit de woning van verdachte. Verdachte was aanwezig in de woning ten tijde van het aantreffen van de tassen met verdovende middelen en bovendien bevat het strafdossier meerdere mutaties waaruit kan worden opgemaakt dat verdachte meer van drugs weet dan hij doet voorkomen. Daarbij kan uit de in beslag genomen voorwerpen worden geconcludeerd dat de woning was ingericht als deallocatie. De verdovende middelen die in de tas van [naam medeverdachte] zijn aangetroffen vallen daarmee in de machtssfeer van verdachte en het is evident dat verdachte wetenschap heeft gehad van de aanwezigheid van deze verdovende middelen. Hiermee heeft verdachte een bijdrage geleverd aan het aanwezig hebben van de verdovende middelen en is sprake van een nauwe en bewuste samenwerking tussen verdachte en medeverdachte [naam medeverdachte] .
Nu de aangetroffen zegelvellen geen bestanddelen bevatten die op de Opiumlijst staan vermeld zal verdachte hiervan partieel vrijgesproken moeten worden.
Ten aanzien van feit 2 vindt de officier van justitie dat de verdachte moet worden vrijgesproken, omdat het feit heeft plaatsgevonden in Amstelveen en in de tenlastelegging als pleegplaats Amsterdam is opgenomen.
3.2.
Standpunt van de verdediging
De raadsman heeft primair betoogd dat de informatie die de opsporingsambtenaren voorhanden hadden onvoldoende en niet concreet genoeg was om op basis daarvan redelijkerwijs te vermoeden dat in de woning van verdachte een overtreding van de Opiumwet werd gepleegd. Daarnaast ontbrak een toestemming van de bewoner, verdachte, tot het binnentreden van de woning. Dit maakt dat niet is voldaan aan de Algemene wet op het binnentreden, waarmee het huisrecht van verdachte is geschonden. De opsporingsambtenaren zijn de woning van verdachte onrechtmatig binnengetreden. Gelet op het belang van het geschonden voorschrift, de ernst van het verzuim en het nadeel dat daardoor is veroorzaakt, dient het door het onrechtmatig binnentreden verkregen bewijsmateriaal te worden uitgesloten van het bewijs. In dat geval kan niet worden bewezen dat verdachte zich heeft schuldig gemaakt aan de aan hem ten laste gelegde feiten en zal hij daarvan moeten worden vrijgesproken.
Subsidiair heeft de raadsman zich op het standpunt gesteld dat het dossier onvoldoende wettig en overtuigend bewijs bevat om tot een bewezenverklaring van de tenlastegelegde feiten te komen.
3.3.
Oordeel van de rechtbank
De rechtbank spreekt verdachte vrij van beide feiten.
De rechtbank laat de vraag of de politie de woning had mogen betreden onbesproken, omdat ook als het in de woning aangetroffen bewijsmateriaal wordt meegewogen het dossier onvoldoende bewijsmateriaal bevat om tot een bewezenverklaring te komen.
De vraag die de rechtbank moet beantwoorden is of kan worden bewezen dat verdachte de aangetroffen verdovende middelen aanwezig heeft gehad.
Met uitzondering van een vel met mogelijke LSD, zijn alle op de tenlastelegging vermelde verdovende middelen aangetroffen in een tas die de medeverdachte [naam medeverdachte] bij zich had. [naam medeverdachte] is buiten de woning van verdachte aangehouden met een grote hoeveelheid verdovende middelen. Het strafdossier bevat geen informatie omtrent de herkomst van de tas waar de verdovende middelen in zijn aangetroffen. Het zou kunnen dat deze tas afkomstig is uit de woning van verdachte, zoals door de officier van justitie is gesteld, maar dat kan op grond van het strafdossier niet met voldoende zekerheid worden vastgesteld. Er zijn op grond van het strafdossier alternatieve scenario’s mogelijk die niet op voorhand volstrekt onaannemelijk zijn. Om die reden kan de rechtbank niet vaststellen dat verdachte de onder [naam medeverdachte] aangetroffen verdovende middelen aanwezig heeft gehad.
In de woning van verdachte zijn vellen aangetroffen die lijken op vellen die worden gebruikt om LSD in te verwerken. De vraag of de tenlastelegging voldoende duidelijk is om daaruit af te leiden dat de in de woning van verdachte bedoelde vellen zijn bedoeld (ook in de tas van [naam medeverdachte] zijn dergelijke vellen aangetroffen) behoeft niet te worden beantwoord. Uit onderzoek aan de vellen is immers gebleken dat deze vellen geen LSD bevatten, maar uitsluitend ergocristine, een stof die niet onder de Opiumwet valt.

4.Beslag

Onder verdachte zijn diverse drugsgerelateerde spullen aangetroffen. Die worden onttrokken aan het verkeer omdat het politieonderzoek gericht was op overtreding van de Opiumwet en die spullen geschikt zijn om overtredingen van de Opiumwet mee te plegen. Het ongecontroleerd bezit van deze spullen is in strijd met de wet of het algemeen belang. Het aangetroffen geldbedrag wordt bewaard ten behoeve van de rechthebbende, omdat er aanknopingspunten in het dossier zijn dat dit geld niet van verdachte is.

5.Toepasselijke wetsartikelen

De op te leggen maatregel is gegrond op de artikelen 36b en 36d van het Wetboek van Strafrecht.

6.Beslissing

De rechtbank komt op grond van het voorgaande tot de volgende beslissing.
Verklaart het tenlastegelegde niet bewezen en spreekt verdachte daarvan vrij.
Verklaart onttrokken aan het verkeer:
5 mg verdovende middelen (goednummer: G6024226);
1 zak plastic, 4x kleine stukjes verdovende middelen (goednummer: G6023520);
1 stk verdovende middelen (goednummer: G6023555);
sealbag bruin, roze zakje 3x bruin (goednummer: G6023483);
sealbag blauw (goednummer: G6023498);
crème kleurig poeder met enkele brokjes (goednummer: G6023513);
2 stk verdovende middelen, witte substantie (goednummer: G6023504);
sealbag met 4 capsules met roze poeder, 1 capsule met geel poeder (goednummer: G3023554);
sealbag crème, verdovende middelen (goednummer: G6023536);
sealbag wit, twee brokjes witte substantie (goednummer: G6023528);
weegschaal, zwart, merk: Tanita (goednummer: G6023481);
weegschaal (goednummer: G6023470).
Gelast de bewaringten behoeve van de rechthebbende van:
13. geldbedrag van € 170,- (goednummer: G6023472).
Heft op het geschorste bevel tot voorlopige hechtenis.
Dit vonnis is gewezen door
mr. G.H. Marcus, voorzitter,
mrs. J. Huber en T. Arnoldussen, rechters,
in tegenwoordigheid van mr. S.D. van der Heiden, griffier,
en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 20 mei 2021.
[....]