ECLI:NL:RBAMS:2021:2749

Rechtbank Amsterdam

Datum uitspraak
25 mei 2021
Publicatiedatum
28 mei 2021
Zaaknummer
13/730035-20 (ontneming)
Instantie
Rechtbank Amsterdam
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Niet-ontvankelijk
Procedures
  • Eerste aanleg - meervoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 36e Sr
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Openbaar Ministerie niet-ontvankelijk in ontnemingsvordering na vrijspraak verdachte

De rechtbank Amsterdam behandelde op 25 mei 2021 de vordering van het Openbaar Ministerie tot ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel ter hoogte van €375,00. Deze vordering was gebaseerd op de beschuldiging van oplichting tegen de verdachte in de bijbehorende strafzaak.

Tijdens de terechtzitting op 11 mei 2021, die gelijktijdig met de strafzaak plaatsvond, werd vastgesteld dat de verdachte in de strafzaak is vrijgesproken van de beschuldiging waarop de ontnemingsvordering is gebaseerd. Hierdoor ontbreekt de noodzakelijke strafrechtelijke veroordeling die vereist is om tot ontneming over te kunnen gaan.

Op grond hiervan oordeelt de rechtbank dat het Openbaar Ministerie niet-ontvankelijk is in de ontnemingsvordering. De rechtbank verklaart de vordering dan ook niet-ontvankelijk en wijst deze af. Dit vonnis is gewezen door de meervoudige kamer van de rechtbank Amsterdam en uitgesproken op 25 mei 2021.

Uitkomst: Het Openbaar Ministerie is niet-ontvankelijk verklaard in de vordering tot ontneming wegens vrijspraak van de verdachte.

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

VONNIS
Parketnummer: 13/730035-20 (ontneming)
Datum uitspraak: 25 mei 2021
Vonnis van de meervoudige kamer van de rechtbank Amsterdam, op vordering van de officier van justitie als bedoeld in artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht, in de zaak, behorende bij de strafzaak met parketnummer 13/730035-20, tegen:
[naam veroordeelde] ,
geboren op [geboortedag] 1998 in [geboorteplaats] ,
ingeschreven in de basisregistratie personen op het adres
[BRP-adres]

1.Onderzoek op de zitting

De rechtbank heeft beraadslaagd naar aanleiding van de vordering van de officier van justitie en het onderzoek op de terechtzitting van 11 mei 2021.
De rechtbank heeft kennisgenomen van de ontnemingsvordering en van wat de officier van justitie van parket Amsterdam en van wat [naam veroordeelde] en zijn raadsman,
mr. A.C. Vingerling, naar voren hebben gebracht.

2.Vordering en grondslag daarvan

De officier van justitie heeft op 26 april 2021 een ontnemingsvordering ingediend bij de rechtbank. De vordering ziet op een bedrag van € 375,00. Dit bedrag aan voordeel is volgens het Openbaar Ministerie ontstaan doordat [naam veroordeelde] zich zou hebben schuldig gemaakt aan oplichting, de beschuldiging die is aangebracht in de bijbehorende strafzaak.
De ontnemingszaak is op 11 mei 2021, tegelijk met de strafzaak, op zitting behandeld.
Volgens de officier van justitie moet [naam veroordeelde] € 375,00 aan de Staat betalen.
[naam veroordeelde] is in de strafzaak vrijgesproken van de beschuldiging waarop de vordering tot ontneming van het wederrechtelijk verkregen voordeel ziet. Daarom bestaat er geen grondslag voor de vordering: er kan alleen geld kan worden ontnomen als er een strafrechtelijke veroordeling is. Het Openbaar Ministerie wordt daarom niet-ontvankelijk verklaard in de ontnemingsvordering.

4.Beslissing

De rechtbank komt op grond van het voorgaande tot de volgende beslissing.
Verklaart het Openbaar Ministerie niet-ontvankelijk in de vordering tot ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel.
Dit vonnis is gewezen door
mr. P.P.C.M. Waarts, voorzitter,
mrs. F. Dekkers en A.C.J. Klaver, rechters,
in tegenwoordigheid van mr. C.A. Mud, griffier,
en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 25 mei 2021.