ECLI:NL:RBAMS:2021:2863

Rechtbank Amsterdam

Datum uitspraak
10 mei 2021
Publicatiedatum
2 juni 2021
Zaaknummer
AWB 19/6579
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Artikel 5 van de Verordening Rioolheffing AmsterdamArtikel 5, vijfde lid, van de Verordening Rioolheffing Amsterdam
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging grootgebruikersstatus voor rioolheffing pannenkoekenrestaurant

Eiser exploiteerde een pannenkoekenrestaurant en betwistte de door de gemeente Amsterdam opgelegde definitieve aanslag rioolheffing over 2018. De heffingsambtenaar had eiser als grootgebruiker aangemerkt vanwege een vastgesteld waterverbruik van 342 m³, boven de grens van 300 m³.

Eiser stelde dat minimaal de helft van het waterverbruik werd gebruikt voor de bereiding van consumptieproducten en dus niet in het riool terechtkwam. De rechtbank oordeelde echter dat eiser niet aannemelijk had gemaakt hoeveel water daadwerkelijk niet werd afgevoerd naar het gemeentelijk riool, omdat meetgegevens ontbraken.

De rechtbank concludeerde dat de heffingsambtenaar de hoeveelheid afgevoerd water terecht gelijk had gesteld aan het waterverbruik en bevestigde daarmee de grootgebruikersstatus. Het beroep werd ongegrond verklaard, zonder toewijzing van proceskosten.

De rechtbank nam tevens kennis van de toelichting dat de gebruikersbelasting wordt geheven van iedereen die meer dan 300 m³ water verbruikt, ongeacht of het particulieren of ondernemers betreft, met verschillende tarieven per verbruiksklasse.

Uitkomst: Het beroep tegen de aanslag rioolheffing wordt ongegrond verklaard en de grootgebruikersstatus bevestigd.

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

Bestuursrecht
zaaknummer: AMS 19/6579

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiser] , te Amsterdam, eiser (hierna [eiser] ),

en

de heffingsambtenaar van de gemeente Amsterdam, verweerder

(mr. H. Oderkerk).

Procesverloop

De heffingsambtenaar heeft op 30 november 2019 een definitieve aanslag rioolheffing gebruiker over het belastingjaar 2018 aan [eiser] opgelegd.
In de bestreden uitspraak op bezwaar van 10 december 2019 heeft de heffingsambtenaar het bezwaar van [eiser] ongegrond verklaard.
[eiser] heeft hiertegen beroep ingesteld. De heffingsambtenaar heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 14 april 2021, waar de zaak gevoegd is behandeld met de zaak AMS 19/6578. [eiser] is verschenen. De heffingsambtenaar is verschenen in de persoon van mr. H. Oderkerk. Na de behandeling op de zitting heeft de rechtbank de zaken weer gesplitst en afzonderlijk uitspraak gedaan.

Overwegingen

1. [eiser] is gebruiker van de onroerende zaak [adres] te Amsterdam (hierna: het pand). Het pand beschikt over een directe of indirecte aansluiting op het gemeentelijk riool.
2. De aan [eiser] voor het belastingjaar 2018 opgelegde aanslag bedraagt € 368,79. Met de bestreden uitspraak heeft de heffingsambtenaar de aanslag gehandhaafd. Volgens de heffingsambtenaar is de aanslag opgelegd op basis van de Verordening Rioolheffing Amsterdam (hierna: de Verordening). Volgens de heffingsambtenaar is [eiser] voor het jaar 2018 als grootgebruiker aangemerkt omdat er voor het belastingjaar 2018 een jaarlijks waterverbruik van meer dan 300 m³ is vastgesteld, namelijk 342 m³. Volgens de heffingsambtenaar is het niet aannemelijk dat minimaal 50% van het ingenomen water verwerkt wordt in de producten van [eiser] ’s horecabedrijf. Bovendien is dit percentage in de praktijk niet aannemelijk, aldus de heffingsambtenaar.
3. [eiser] voert – samengevat – aan dat hij in 2018 een pannenkoekenrestaurant exploiteerde en dat minimaal de helft van het totaal verbruikte water van 342 m³ is gebruikt voor het bereiden van producten voor de consumptie. Het gaat hierbij om onder andere frisdranken, koffie, thee, chai, soepen, pannenkoeken, omeletten en sauzen. Dit water kwam volgens [eiser] dus niet in het riool terecht.
4. Op grond van de Verordening wordt een gebruikersbelasting geheven van grootgebruikers. Van grootgebruik is sprake als er meer dan 300 m³ water per jaar wordt verbruikt. Het aantal kubieke meters water wordt gesteld op het aantal kubieke meters leidingwater en grondwater dat in het belastingjaar naar het perceel is toegevoerd of afgepompt. [1] Als een belastingplichtige meent dat deze wijze van vaststellen in zijn geval geen recht doet aan de werkelijkheid, dan moet hij aantonen hoeveel kubieke meter water niet is afgevoerd. [2] Dit wordt dan in mindering gebracht op de berekende hoeveelheid toegevoerd of opgepompt water. De rechtbank stelt vast dat [eiser] niet heeft aangetoond hoeveel kubieke meter water niet is afgevoerd op de gemeentelijke riolering. Meetgegevens over hoeveel water daadwerkelijk is afgevoerd, ontbreken daarom. De rechtbank oordeelt daarom dat de heffingsambtenaar de hoeveelheid afgevoerd water juist heeft gesteld op hetzelfde aantal kubieke meters water dat is toegevoerd, namelijk 342 m³. Dit betekent dat [eiser] voor het jaar 2018 terecht als grootgebruiker is aangemerkt.
5. Ter zitting heeft [eiser] nog aangevoerd dat de gebruikersbelasting rioolheffing niet lijkt te zijn bedoeld voor kleine (horeca)ondernemers. De heffingsambtenaar heeft ter zitting toegelicht dat de gebruikersbelasting wordt geheven van iedereen die meer dan 300 m³ water verbruikt. Hierbij wordt geen onderscheid gemaakt tussen particulieren en ondernemers. Bovendien worden in de Verordening verschillende tarieven gehanteerd. Zo zijn er verschillende verbruiksklassen met ieder een eigen tarief. Deze toelichting van de heffingsambtenaar kan de rechtbank volgen.
6. Het beroep is ongegrond. Voor een proceskostenveroordeling of vergoeding van het griffierecht bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. D. Sullivan, rechter, in aanwezigheid van mr. I.N. van Soest, griffier
.De beslissing is in het openbaar uitgesproken op
griffier
rechter
Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kunt u binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep instellen bij het gerechtshof Amsterdam, Postbus 1312, 1000 BH Amsterdam.

Voetnoten

1.Artikel 5 van Pro de Verordening.
2.Artikel 5, vijfde lid, van de Verordening.