Uitspraak
RECHTBANK AMSTERDAM
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[eiser] , te Amsterdam, eiser
Procesverloop
Overwegingen
Beslissing
.
Rechtbank Amsterdam
Eiser ontvangt sinds 2002 een bijstandsuitkering op grond van de Participatiewet. Verweerder heeft de uitkering opgeschort per 18 april 2020 nadat bekend werd dat eiser in detentie verbleef, zonder dit zelf te hebben gemeld. Het bezwaar tegen deze opschorting is deels gegrond verklaard, maar het beroep van eiser tegen de opschorting is ongegrond verklaard.
De rechtbank overweegt dat eiser zijn inlichtingenplicht heeft geschonden door niet uit eigen beweging te melden dat hij in detentie was. Dit rechtvaardigt de opschorting van de bijstandsuitkering op grond van artikel 54, eerste lid, van de Participatiewet. De opschorting kan maximaal acht weken duren.
Eiser stelde dat het ontbreken van een tijdig intrekkingsbesluit de opschorting met terugwerkende kracht onrechtmatig maakt. De rechtbank oordeelt dat opschorting en intrekking verschillende procedures zijn en dat gebreken aan het intrekkingsbesluit in deze procedure niet kunnen worden betrokken. Het ontbreken van een intrekkingsbesluit tast de rechtmatigheid van de opschorting niet aan.
De rechtbank concludeert dat het beroep ongegrond is en dat eiser geen recht heeft op vergoeding van griffierecht of proceskosten. Het vonnis is gewezen door rechter R. Godthelp.
Uitkomst: Het beroep tegen de opschorting van de bijstandsuitkering wegens niet-melding van detentie wordt ongegrond verklaard.