ECLI:NL:RBAMS:2021:3094

Rechtbank Amsterdam

Datum uitspraak
10 mei 2021
Publicatiedatum
16 juni 2021
Zaaknummer
AWB - 20 _ 1795
Instantie
Rechtbank Amsterdam
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 77 Wet WIABesluit proceskosten bestuursrecht
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Rechtbank vernietigt terugvordering bruto WIA-uitkering en gelast nieuwe berekening netto bedrag

Eiser ontving een WIA-uitkering waarover het UWV een bedrag van € 1.581,64 bruto terugvorderde wegens te veel ontvangen vakantiegeld in mei 2018. De rechtbank oordeelde dat het UWV onvoldoende had toegelicht hoe dit bedrag was berekend en dat het terugvorderen van een bruto bedrag onjuist was. Volgens het interne beleid van het UWV kan in bepaalde gevallen volstaan worden met terugvordering van het netto bedrag.

Eiser had meerdere keren contact gezocht met het UWV en was bereid het netto bedrag terug te betalen, maar kon dit niet eerder doen omdat het netto bedrag onduidelijk was. De rechtbank stelde vast dat eiser aan de voorwaarden van het beleid voldeed en dat het UWV ten onrechte het bruto bedrag had teruggevorderd.

De rechtbank vernietigde het bestreden besluit en droeg het UWV op binnen zes weken een nieuw besluit te nemen waarin het netto bedrag wordt berekend. Daarnaast wees de rechtbank het verzoek om schadevergoeding wegens geestelijk leed af, maar veroordeelde het UWV tot vergoeding van het betaalde griffierecht en bepaalde proceskosten van eiser.

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken hoger beroep worden ingesteld bij de Centrale Raad van Beroep.

Uitkomst: Het beroep wordt gegrond verklaard en het UWV wordt opgedragen het netto terug te vorderen bedrag binnen zes weken te berekenen.

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

Bestuursrecht
zaaknummer: AMS 20/1795

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiser] , te [woonplaats] (Curaçao), eiser,

en
de raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen,verweerder
( [gemachtigde] ).
Partijen worden hierna [eiser] en het Uwv genoemd.

Procesverloop

Op 27 februari 2019 heeft het Uwv uitkering op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (WIA) van [eiser] teruggevorderd.
Op 6 mei 2019 heeft het Uwv het bezwaar van [eiser] ongegrond verklaard. [eiser] heeft hiertegen beroep ingesteld.
Op 31 januari 2020 [1] heeft deze rechtbank het beroep van [eiser] gegrond verklaard, het besluit van 6 mei 2019 vernietigd en het Uwv opgedragen om een nieuwe beslissing op het bezwaar te nemen met inachtneming de uitspraak.
Op 27 februari 2020 heeft het Uwv het bezwaar van [eiser] opnieuw ongegrond verklaard.
[eiser] heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.
De zaak is behandeld op de zitting van 7 april 2021. [eiser] is verschenen. Het Uwv is met bericht van verhindering niet verschenen.

Overwegingen

Waar gaat deze zaak over?
1. Het Uwv heeft besloten dat [eiser] een bedrag van € 1.581,64 bruto te veel ontvangen WIA-uitkering moet terugbetalen omdat [eiser] daar in de periode van 1 april 2018 tot en met 30 april 2018 geen recht op had.
2. In de hiervoor genoemde uitspraak heeft deze rechtbank geoordeeld dat de Uwv in het besluit van 6 mei 2019 onvoldoende heeft uitgelegd hoe dit bedrag is berekend. In de nieuwe beslissing schrijft het Uwv dat in de maand mei 2018 een te hoog bedrag aan vakantiegeld is uitbetaald. Daarom moet [eiser] een bedrag van € 1.581,64 terugbetalen. Volgens het Uwv had het voor [eiser] duidelijk moeten zijn dat hij te veel uitkering heeft ontvangen.
3. Volgens [eiser] mag het Uwv geen netto bedrag uitbetalen en vervolgens een bruto bedrag terugvorderen. [eiser] stelt dat hij sinds hij vertrokken is uit Nederland in 2017 recht had op een hogere netto uitkering omdat hij bepaalde bedragen niet meer hoefde te betalen. Dit heeft het Uwv pas aangepast in oktober 2018. Ter zitting heeft [eiser] toegelicht dat hij dacht dat het bedrag dat hij in mei 2018 aan vakantiegeld kreeg een uitbetaling was van de maanden waarin hij te weinig WIA-uitkering had ontvangen.
Het oordeel van de rechtbank
4. De rechtbank oordeelt als volgt. Vast staat dat [eiser] te veel vakantiegeld heeft gekregen in de maand mei 2018. Artikel 77, eerste lid, van de Wet WIA bepaalt dat het Uwv tot terugvordering verplicht als een bedrag onverschuldigd is betaald.
5. Het Uwv heeft over de terugvordering buitenwettelijk begunstigend beleid opgesteld in de beleidsregel terug- en invordering. Hierin staat dat het Uwv in principe een bruto bedrag terugvordert. Vindt de terugbetaling plaats binnen hetzelfde lopende belastingjaar, dan kan worden volstaan met terugbetaling van het netto bedrag. Het Uwv hanteert aanvullend een gedragslijn over de terug- en invordering van onverschuldigd betaalde uitkeringen. [2] Dit interne beleid houdt onder meer in dat kan worden volstaan met een terugbetaling van het netto te veel betaalde bedrag in de situatie waarin de klant binnen een redelijke termijn na ontvangst van het te veel betaalde bedrag te kennen heeft gegeven dat hij dit niet wil behouden én hij het te veel betaalde direct na terugvordering daadwerkelijk terugbetaalt.
6. Volgens de rechtbank heeft [eiser] aan de voorwaarden van dit beleid voldaan. Ter zitting heeft [eiser] toegelicht dat hij meerdere keren het Uwv heeft gebeld. [eiser] heeft ook toegelicht bereid te zijn het netto bedrag terug te willen betalen en dat hij het bruto bedrag nu ook heeft terugbetaald. [eiser] kon dit bedrag niet eerder netto terugbetalen omdat het netto bedrag dat [eiser] terug moest betalen niet duidelijk was. Dit volgt ook uit de hiervoor genoemde uitspraak van deze rechtbank van 31 januari 2020.
Conclusie
7. Het Uwv heeft ten onrechte het bruto bedrag van [eiser] teruggevorderd. Het beroep is gegrond en de rechtbank vernietigt het bestreden besluit. Het Uwv zal het netto bedrag moeten berekenen dat [eiser] moet terugbetalen. De rechtbank stelt hiervoor een termijn van zes weken.
8. Omdat de rechtbank het beroep gegrond verklaart, bepaalt de rechtbank dat het Uwv aan [eiser] het door hem betaalde griffierecht vergoedt.
9. [eiser] wil ook schadevergoeding wegens geestelijk leed ten gevolge van dit onjuiste besluit. De rechtbank zal dit niet toewijzen. Op de zitting is duidelijk geworden hoezeer de kwestie [eiser] bezig houdt, maar dat is op zichzelf niet genoeg voor schadevergoeding. Naar vaste rechtspraak van de Centrale Raad van Beroep [3] is daarvoor een aantasting van de persoon nodig. Daarvan is niet snel sprake .
10. De rechtbank veroordeelt het Uwv in de door [eiser] gemaakte proceskosten.
De door [eiser] genoemde kosten, te weten de vliegreis van Curaçao naar Amsterdam van € 546,- en terug komen voor vergoeding in aanmerking. De overige door [eiser] genoemde kosten, te weten de treinreis van € 47,-, komen niet voor vergoeding in aanmerking, omdat deze reis niet op de route ligt van Curaçao naar Amsterdam. Dit geldt ook voor de kosten van de telefoongesprekken en het versturen van brieven, die op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht niet voor een vergoeding in aanmerking komen.

Beslissing

De rechtbank:
  • verklaart het beroep gegrond;
  • vernietigt het bestreden besluit;
  • draagt het Uwv op binnen zes weken een nieuw besluit te nemen op het bezwaar met inachtneming van deze uitspraak;
  • wijst het verzoek om schadevergoeding af;
  • draagt het Uwv op het betaalde griffierecht van € 48,- aan [eiser] te vergoeden;
  • veroordeelt het Uwv in de proceskosten van [eiser] tot een bedrag van € 1.092,-.
Deze uitspraak is gedaan door mr. F.L. Bolkestein, rechter, in aanwezigheid van mr. A. Vijn, griffier
.De beslissing is in het openbaar uitgesproken op
griffier
rechter
Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Centrale Raad van Beroep.

Voetnoten

1.Geregistreerd onder zaaknummer: AMS 19/3211.
2.Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep van 12 augustus 2015, ECLI:NL:CRVB:2015:2746.
3.Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep van 30 juni 2011 ECLI:NL:CRVB:2011:BR1216.