Uitspraak
RECHTBANK AMSTERDAM
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[eiser] , te [woonplaats] (Polen), eiser (hierna: [eiser] )
Procesverloop
Overwegingen
Beslissing
.De beslissing is in het openbaar uitgesproken.
Rechtbank Amsterdam
Eiser kreeg op 24 april 2019 een WW-uitkering toegekend en vroeg op 14 juni 2019 toestemming om van 1 juli tot 30 september 2019 met behoud van uitkering in Polen werk te zoeken. Het UWV verleende deze toestemming op 19 juni 2019, met duidelijke voorwaarden over inschrijving bij het Poolse arbeidsbureau.
Eiser vertrok echter al op 25 juni 2019 naar Polen en schreef zich op 26 juni 2019 in bij het arbeidsbureau, zonder geldige toestemming voor die datum. Het UWV beëindigde daarom de uitkering per 26 juni 2019 en verklaarde het bezwaar ongegrond.
De rechtbank oordeelt dat het UWV voldoende aannemelijk heeft gemaakt dat eiser vóór de toegestane datum in het buitenland verbleef en dat eiser dit niet met objectief bewijs heeft kunnen weerleggen. De door eiser aangevoerde misverstanden over de vertrekdatum slagen niet omdat de toestemmingsbrief duidelijk was. Ook het argument dat hij na 26 juni terugkeerde naar Nederland en weer vertrok, doet hieraan niet af.
De rechtbank bevestigt dat het verblijf in het buitenland anders dan wegens vakantie zonder toestemming een geldige grond is voor beëindiging van de WW-uitkering. Het beroep wordt daarom ongegrond verklaard en er is geen aanleiding voor proceskostenvergoeding.
Uitkomst: De WW-uitkering is terecht beëindigd wegens verblijf in het buitenland vóór de toegestane datum zonder toestemming.