ECLI:NL:RBAMS:2021:3312

Rechtbank Amsterdam

Datum uitspraak
29 juni 2021
Publicatiedatum
29 juni 2021
Zaaknummer
13-751278-21
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste en enige aanleg
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 420bis Wetboek van StrafrechtArt. 2 OLWArt. 5 OLWArt. 6 OLWArt. 7 OLW
Verwijzingen
11 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Toestemming overlevering op grond van Europees aanhoudingsbevel voor drugshandel en witwassen

De rechtbank Amsterdam behandelde op 8 juni 2021 de vordering tot overlevering van een verdachte aan Duitsland op grond van een Europees aanhoudingsbevel (EAB) uitgevaardigd door het Amtsgericht Aurich. De verdachte, met de Nederlandse en Marokkaanse nationaliteit, werd verdacht van deelname aan een criminele organisatie, illegale handel in verdovende middelen en witwassen.

De rechtbank stelde vast dat de strafbare feiten voorkomen op de lijst van bijlage 1 bij de Overleveringswet, waardoor toetsing van dubbele strafbaarheid achterwege blijft voor de meeste feiten. Voor het witwassen werd wel aan de dubbele strafbaarheidseis voldaan. De Duitse autoriteiten gaven de garantie dat bij veroordeling de straf in Nederland kan worden uitgezeten.

De rechtbank overwoog dat de facultatieve weigeringsgrond van artikel 13 OLW Pro, die ziet op feiten die geheel of gedeeltelijk in Nederland zijn gepleegd, niet tot weigering van overlevering leidt. Dit omdat het onderzoek in Duitsland is gestart, bewijsmiddelen daar aanwezig zijn, de drugs bestemd waren voor Duitsland, de Duitse rechtsorde is geschaad en het Nederlandse OM geen vervolging zal overnemen.

Gelet op de naleving van de wettelijke eisen en het ontbreken van weigeringsgronden, besloot de rechtbank de overlevering toe te staan. Tegen deze uitspraak is geen gewoon rechtsmiddel mogelijk.

Uitkomst: De rechtbank Amsterdam staat de overlevering van de verdachte aan Duitsland toe.

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

INTERNATIONALE RECHTSHULPKAMER

Parketnummer: 13-751278-21
RK nummer: 21/1951
Datum uitspraak: 22 juni 2021
UITSPRAAK
op de vordering ex artikel 23 Overleveringswet Pro (OLW), ingediend door de officier van justitie bij deze rechtbank. Deze vordering dateert van 8 april 2021 en betreft onder meer het in behandeling nemen van een Europees aanhoudingsbevel (EAB).
Dit EAB is uitgevaardigd op 19 februari 2021 door het
Amtsgericht Aurich(Duitsland) en strekt tot de aanhouding en overlevering van:
[opgeëiste persoon] ,
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1994,
ingeschreven in de BRP op het adres:
[adres] ,
gedetineerd in [detentieplaats] ,
hierna te noemen de opgeëiste persoon.

1.Procesgang

De vordering is behandeld op de openbare zitting van 8 juni 2021. Het verhoor heeft – via telehoren – plaatsgevonden in tegenwoordigheid van de officier van justitie mr. C.L.E. Mcgivern De opgeëiste persoon is bijgestaan door zijn raadsman, mr. R. Malewicz, advocaat te Amsterdam.
De rechtbank heeft de termijn waarbinnen zij op grond van artikel 22, eerste lid, OLW uitspraak moet doen met dertig dagen verlengd omdat zij die verlenging nodig heeft om over de verzochte overlevering te beslissen.

2.Identiteit van de opgeëiste persoon

De rechtbank heeft de identiteit van de opgeëiste persoon onderzocht. De opgeëiste persoon heeft ter zitting verklaard dat de bovenvermelde personalia juist zijn en dat hij de Nederlandse en Marokkaanse nationaliteit heeft.

3.Grondslag en inhoud van het EAB

In het EAB wordt melding gemaakt van een
Aanhoudingsbevel voor onderzoekvan het
Amtsgericht Aurichvan 14 februari 2021 met kenmerk 6 Gs 510 Js 13866/19 (199/21).
De overlevering wordt verzocht ten behoeve van een door de justitiële autoriteiten van de uitvaardigende lidstaat ingesteld strafrechtelijk onderzoek ter zake van het vermoeden dat de opgeëiste persoon zich schuldig heeft gemaakt aan naar Duits recht strafbare feiten/
Deze feiten zijn omschreven in onderdeel e) van het EAB. Een door de griffier gewaarmerkte fotokopie van dit onderdeel is als bijlage aan deze uitspraak gehecht.

4.Strafbaarheid

4.1
Feiten vermeld op bijlage 1 bij de OLW
Onderzoek naar de dubbele strafbaarheid van feiten waarvoor de overlevering wordt verzocht, moet achterwege blijven, nu de uitvaardigende justitiële autoriteit de strafbare feiten heeft aangeduid als feiten vermeld in de lijst van bijlage 1 bij de OLW. De feiten vallen op deze lijst onder de nummers 1 en 5, te weten:
deelneming aan een criminele organisatie;
illegale handel in verdovende middelen en psychotrope stoffen;
Volgens de in rubriek c) van het EAB vermelde gegevens is op deze feiten naar Duits recht een vrijheidsstraf met een maximum van ten minste drie jaren gesteld.
4.2
Feit waarvoor dubbele strafbaarheid is vereist
De uitvaardigende justitiële autoriteit heeft het feit witwassen, zoals benoemd in de aanvullende informatie van het
Amtsgericht Aurichvan 27 mei 2021, niet aangeduid als een feit waarvoor het vereiste van toetsing van dubbele strafbaarheid niet geldt. Overlevering kan in dat geval worden toegestaan indien voldaan wordt aan de eisen die in artikel 7, eerste lid, aanhef en onder a 2°, OLW zijn neergelegd.
De rechtbank stelt vast dat hieraan is voldaan.
Dit feit levert naar Nederlands recht op:
witwassen

5.De garantie als bedoeld in artikel 6, eerste lid, OLW

De opgeëiste persoon heeft de Nederlandse nationaliteit. Zijn overlevering kan daarom alleen worden toegestaan, indien naar het oordeel van de rechtbank is gewaarborgd dat, zo hij ter zake van de feiten waarvoor de overlevering kan worden toegestaan in de uitvaardigende lidstaat tot een onvoorwaardelijke vrijheidsstraf wordt veroordeeld, hij deze straf in Nederland zal mogen ondergaan.
De
Oberstaatsanwaltheeft in de begeleidende brief bij het EAB op 10 maart 2021 de volgende garantie gegeven:
Voor zover deze garantie de voorwaarde mocht zijn voor de latere overlevering van de vijf bovengenoemde verdachten, wordt reeds gegarandeerd dat de telkens vervolgde persoon in geval van zijn rechtsgeldige veroordeling in de Bondsrepubliek Duitsland op basis van de geldende versie van de Kaderbeschikking 2008/909/JI van de Raad van 27 november 2008 voor de verdere tenuitvoerlegging van de straf naar Nederland zal worden overgeplaatst.
Naar het oordeel van de rechtbank is de hiervoor vermelde garantie voldoende.

6.Artikel 13 OLW Pro

Eerste lid, onderdeel a (feit geheel of ten dele in Nederland gepleegd)
Het EAB heeft betrekking op strafbare feiten die geacht worden geheel of gedeeltelijk op Nederlands grondgebied te zijn gepleegd.
Op grond van artikel 13, eerste lid, aanhef en onder a, OLW kan de rechtbank de overlevering in die situatie weigeren.
De officier van justitie heeft de rechtbank in overweging gegeven om af te zien van toepassing van de weigeringsgrond en heeft daartoe het volgende aangevoerd:
  • Het onderzoek is in Duitsland aangevangen;
  • De bewijsmiddelen bevinden zich in Duitsland;
  • De verdovende middelen waren bestemd voor Duitsland;
  • De Duitse rechtsorde is geschaad;
  • Het Nederlandse OM is niet van plan om de vervolging over te nemen.
De raadsman heeft geen verweer gevoerd.
Met de inwerkingtreding op 1 april 2021 van de hiervoor genoemde Herimplementatiewet is artikel 13 OLW Pro veranderd van een dwingende weigeringsgrond in een facultatieve weigeringsgrond. Het tweede lid van artikel 13 OLW Pro – dat betrekking had op de vordering van de officier van justitie – is komen te vervallen.
De rechtbank stelt voorop dat:
- aan de regeling van het EAB ten grondslag ligt dat overlevering de hoofdregel is en toepassing van een facultatieve weigeringsgrond de uitzondering dient te zijn;
- de weigeringsgrond ertoe strekt te voorkomen dat Nederland zou moeten meewerken aan overlevering voor een zogenoemd lijstfeit dat geheel of ten dele in Nederland is gepleegd en dat hier niet strafbaar is of hier niet pleegt te worden vervolgd.
Tegen deze achtergrond en gelet op de door de officier van justitie aangevoerde argumenten vormt daarom het gegeven dat het feit wordt geacht geheel of gedeeltelijk in Nederland te zijn gepleegd naar het oordeel van de rechtbank onvoldoende aanleiding om de weigeringsgrond toe te passen.

7.Slotsom

Nu is vastgesteld dat het EAB voldoet aan de eisen van artikel 2 OLW Pro en ook overigens geen weigeringsgronden aan de overlevering in de weg staan, dient de overlevering te worden toegestaan.

8.Toepasselijke wetsartikelen

De artikelen 420bis Wetboek van Strafrecht en 2, 5, 6, 7 en 13 OLW.

9.Beslissing

STAAT TOEde overlevering van
[opgeëiste persoon]aan het
Amtsgericht Aurich(Duitsland).
Aldus gedaan door
mr. J.G. Vegter, voorzitter,
mrs. J.A.A.G. de Vries en E. de Rooij, rechters,
in tegenwoordigheid van mr. K. Spanjaart, griffier,
en uitgesproken ter openbare zitting van 22 juni 2021.
Ingevolge artikel 29, tweede lid, OLW staat tegen deze uitspraak geen gewoon rechtsmiddel open.