De rechtbank Amsterdam behandelde een vordering tot overlevering op grond van een Europees aanhoudingsbevel (EAB) uitgevaardigd door Griekenland, gericht op een opgeëiste persoon die een straf van twaalf jaar moet uitzitten wegens vervalsing.
De opgeëiste persoon was niet in persoon verschenen bij het proces in Griekenland en had de schorsingsvoorwaarden geschonden door het land te verlaten zonder zijn verblijfadres door te geven. Hierdoor heeft hij stilzwijgend afstand gedaan van zijn aanwezigheidsrecht. De dagvaarding was verzonden naar het laatst bekende adres en ook zijn raadsman had een oproeping ontvangen.
Hoewel de verdediging stelde dat de overlevering moest worden geweigerd vanwege het niet in persoon ontvangen van de dagvaarding en het vonnis, oordeelde de rechtbank dat de overlevering geen schending van verdedigingsrechten inhoudt. De rechtbank zag geen belemmering in de overlevering en besloot deze toe te staan.
De beslissing is definitief en er staat geen gewoon rechtsmiddel tegen open. De rechtbank baseerde zich op de gewijzigde wetgeving en jurisprudentie van het Hof van Justitie van de Europese Unie en het Europees Hof voor de Rechten van de Mens.