Uitspraak
RECHTBANK AMSTERDAM
1.Onderzoek ter terechtzitting
2.Tenlastelegging
3.Waardering van het bewijs
[slachtoffer 1]een informatief gesprek mensenhandel plaats, gevolgd door haar aangifte tegen verdachte op 22 februari 2018. Vervolgens is zij op 1 maart 2018, 29 maart 2019 en 3 april 2019 nader door de politie gehoord. Op 4 februari 2020 is zij op verzoek van de verdediging bij de rechter-commissaris gehoord. Tijdens haar aangifte heeft zij verklaard dat ook haar zus
[slachtoffer 2]door verdachte naar Nederland is gehaald om in Amsterdam in de prostitutie te werken. Ook merkte zij op dat zij gehoord had dat in het verleden ook een andere vrouw uit een dorp in de buurt van [plaatsnaam] aangifte tegen verdachte heeft gedaan. De politie heeft vervolgens een zoekslag gemaakt in de politiesystemen en vond een aangifte uit 2009 van
[slachtoffer 3] .
[slachtoffer 1]vindt steun in de verklaring van de getuige [persoon 5] . Zij heeft [slachtoffer 1] in 2011 of 2012 leren kennen en heeft enige tijd met [slachtoffer 1] in dezelfde woning in Amsterdam gewoond. Ze heeft vaak gezien dat [slachtoffer 1] het door haar verdiende geld aan verdachte moest afstaan. Dat moest zij doen omdat [slachtoffer 1] voor verdachte werkte. Ook heeft zij gezien dat verdachte op zoek was naar geld van [slachtoffer 1] . Zij heeft zelf ook op verzoek van verdachte wel eens geld overgemaakt naar de vrouw van verdachte in Bulgarije. Dat was geld afkomstig van [persoon 4] en [slachtoffer 1] . Verdachte had geen werk. Hij zat veelal op de bank of in het café.
[slachtoffer 2]vindt steun in andere bewijsmiddelen.
[slachtoffer 3]dat zij samen met verdachte naar Nederland is gegaan vindt ondersteuning in een document grenscontrole, waaruit naar voren komt dat zij op 27 mei 2008 om 07:00 uur samen met verdachte bij de Bulgaarse grensplaats [plaats] is gecontroleerd. Zij reden toen in een Audi [type auto] vanuit Bulgarije naar Servië.
[slachtoffer 3]
4.Bewezenverklaring
5.Strafbaarheid van de feiten
6.Strafbaarheid van verdachte
7.Motivering van de straf en maatregel
[slachtoffer 1], bijgestaan door mr. C.M. Sent, vordert
€ 10.000,-, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf het moment waarop het strafbare feit is voltooid.
[slachtoffer 2], bijgestaan door mr. A. Koopsen, vordert
€ 3.000,-, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf het moment waarop het strafbare feit is voltooid.
[slachtoffer 3], bijgestaan door mr. A. Koopsen, vordert
€ 4.200,-, dan ook toewijzen, met te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf het moment waarop het strafbare feit is voltooid, te weten 31 juli 2008.
€ 3.000,-, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf het moment waarop het strafbare feit is voltooid.
9.Toepasselijke wettelijke voorschriften
10.Beslissing
[verdachte], daarvoor strafbaar.
gevangenisstrafvan
36 (zesendertig) maanden.
[slachtoffer 1]gedeeltelijk toe tot een bedrag van
€ 110.000,-(honderdtienduizend euro), bestaande uit € 100.000,- (honderdduizend euro) aan vergoeding van materiële schade en € 10.000,- (tienduizend euro) aan vergoeding van immateriële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf 8 november 2013 tot aan de dag van de algehele voldoening. Veroordeelt verdachte tot betaling van het toegewezen bedrag aan [slachtoffer 1] voornoemd.
365dagen. De toepassing van die gijzeling heft de betalingsverplichting niet op.
[slachtoffer 2]gedeeltelijk toe tot een bedrag van
€ 9.000,-(negenduizend euro), bestaande uit aan € 6.000,- (zesduizend euro) aan vergoeding van materiële schade en € 3.000,- (drieduizend euro) aan vergoeding van immateriële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf 26 september 2010 tot aan de dag van de algehele voldoening. Veroordeelt verdachte tot betaling van het toegewezen bedrag aan [slachtoffer 2] voornoemd.
80dagen. De toepassing van die gijzeling heft de betalingsverplichting niet op.
[slachtoffer 3]gedeeltelijk toe tot een bedrag van
€ 7.200,-(zevenduizend tweehonderd euro), bestaande uit € 4.200,- (vierduizend tweehonderd euro) aan vergoeding van materiële schade en € 3.000,- (drieduizend euro) aan vergoeding van immateriële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf 31 juli 2008 tot aan de dag van de algehele voldoening. Veroordeelt verdachte tot betaling van het toegewezen bedrag aan [slachtoffer 3] voornoemd.
71dagen. De toepassing van die gijzeling heft de betalingsverplichting niet op.
258dagen.”
57dagen.”
50dagen.”