ECLI:NL:RBAMS:2021:3463
Rechtbank Amsterdam
- Voorlopige voorziening
- Rechtspraak.nl
Afwijzing verzoek voorlopige voorziening tegen beëindiging Ziektewetuitkering
Verzoekster heeft bezwaar gemaakt tegen het besluit van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen om haar Ziektewetuitkering per 24 april 2021 te beëindigen, omdat zij volgens de verzekeringsarts en arbeidsdeskundige meer dan 65% van haar laatstverdiende loon kan verdienen. Tijdens de bezwaarprocedure heeft verzoekster een voorlopige voorziening gevraagd vanwege het ontbreken van eigen inkomen en negatieve gevolgen voor haar verblijfsrecht bij het aanvragen van bijstand.
De voorzieningenrechter heeft het medisch dossier en de rapporten van de primaire en bezwaarverzekeringsartsen beoordeeld. Deze artsen concluderen dat verzoekster weliswaar beperkingen heeft, maar niet zodanig dat zij niet kan werken binnen de geselecteerde functies. De arbeidsdeskundige bevestigt dat de functies geschikt zijn en dat er geen blootstelling aan trillingen is die verzoekster zou beperken.
De voorzieningenrechter oordeelt dat het medisch en arbeidsdeskundig oordeel voldoende gemotiveerd is en niet onmiskenbaar onjuist. Er is geen aanleiding om het verzoek om voorlopige voorziening toe te wijzen. De rechter ziet af van het gebruik van de bevoegdheid om de procedure kort te sluiten, zodat verzoekster nadere medische gegevens kan aanleveren. Er wordt geen proceskostenveroordeling opgelegd en tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.
Uitkomst: Het verzoek om voorlopige voorziening tegen beëindiging van de Ziektewetuitkering wordt afgewezen.