Uitspraak
RECHTBANK AMSTERDAM
vonnis van de kantonrechterkort geding
[opposant]
[geopposeerde]
VERLOOP VAN DE PROCEDURE
GRONDEN VAN DE BESLISSING
Vordering en verweer
Beoordeling
BESLISSING
en
opnieuw rechtdoende:
Rechtbank Amsterdam
In deze zaak stond een onderhuurder centraal die een kamer huurde van een huurder (PNA Vastgoed B.V.) die op zijn beurt een woning huurde van de eigenaar. De hoofdhuurovereenkomst tussen de eigenaar en PNA eindigde op 14 januari 2021. De onderhuurder bleef echter in de woning achter zonder toestemming en betaalde geen huur.
De eigenaar vorderde ontruiming en betaling van achterstallige huur. Bij verstekvonnis werd de onderhuurder veroordeeld tot ontruiming en betaling van huur over de periode 15 januari tot en met 31 maart 2021. De onderhuurder kwam hiertegen in verzet en stelde dat hij alleen een kamer huurde en niet wist dat hij onderhuurder was van de eigenaar.
De kantonrechter oordeelde dat met het einde van de hoofdhuurovereenkomst ook de onderhuurovereenkomst was geëindigd. De onderhuurder verbleef dus zonder recht in de woning en was daarom een gebruiksvergoeding verschuldigd. Omdat hij alleen een kamer huurde, werd de gebruiksvergoeding vastgesteld op het bedrag dat hij voorheen betaalde, namelijk €800 per maand, wat leidt tot een totaal van €2.800 voor de periode van 15 januari tot 30 april 2021.
Het verstekvonnis werd vernietigd en de onderhuurder werd veroordeeld tot betaling van deze gebruiksvergoeding, vermeerderd met wettelijke rente. De kosten van de verzetprocedure werden gecompenseerd, waarbij iedere partij haar eigen kosten draagt.
Uitkomst: De onderhuurder is veroordeeld tot betaling van €2.800 gebruiksvergoeding over de periode 15 januari tot 30 april 2021 plus wettelijke rente.