Uitspraak
1.[eiser 1] ,
1.de stichting [gedaagde 1] ,
2. [gedaagde 2] ,
3. [gedaagde 3] ,
- conclusie van antwoord, tevens eis in reconventie met producties (1 t/m 51);
- instructievonnis;
- dagbepaling mondelinge behandeling;
“The Landlord hereby lets tot the Tenant and the Tenant hereby rents from the Landlord the housing accomodation, hereinafter referred to as “the Subjects”, whose address is: [adres] . Apartment located at 2nd, 3rd and 4th floor, with entrance at ground floor, roof terrace at 3rd floor and two storages at ground floor.”
- De makelaar van [eisers] c.s., C. van Veen-Wehmeijer, heeft op 25 september 2020 hierover geschreven dat zowel door [naam 1] - [naam 2] als de verhurend makelaar PC22 Makelaars is gecommuniceerd dat de privé entree van [eisers] c.s. begint bij de deur van staal/glas en dat [naam 1] - [naam 2] alleen met toestemming van [eisers] c.s. toegang had tot het trappenhuis voor het bereiken van hun berging.
- [naam 1] - [naam 2] heeft in een e-mail van 20 september 2020 een e-mail van [gedaagden] d.d. 19 september 2020 bevestigd, waarin hij haar verzocht te reageren en schreef dat er nooit is afgesproken dat het trappenhuis privéruimte van de huurders is en dat de deur met staal/glas exclusief voor hun gebruik is. Zij schrijft dat de hal van het trappenhuis gezamenlijk was “want hij was ook de entree naar onze berging, wij hadden de sleutel en konden erin wanneer we wilden”.
Deze tegengestelde verklaringen bieden onvoldoende steun voor de stelling van [eisers] c.s., zodat in dit geding niet tot uitgangspunt kan worden genomen dat voorafgaand aan de huurovereenkomst is afgesproken dat het trappenhuis tot het privégedeelte van de huurders behoorde. Uit de verklaring van [naam 1] - [naam 2] kan worden begrepen dat zij als verhuurders destijds beoogden vrije toegang tot het trappenhuis te hebben. Na het sluiten van de huurovereenkomst zijn [eisers] c.s. vrijwel de enigen geweest die het trappenhuis hebben gebruikt. Zij hebben het zelf geschilderd en gedecoreerd. Er kan vanuit worden gegaan dat het hun bedoeling was dat het trappenhuis wél privégedeelte van hen was. Maar van [naam 1] - [naam 2] was dat bij het aangaan van de huur niet de bedoeling. Dat zij tijdens de huurovereenkomst, van 2015 tot medio 2019, niet of nauwelijks gebruik hebben gemaakt van de sleutel die zij hadden van de deur van staal/glas en van hun daarachter liggende berging kan natuurlijk door [eisers] c.s. worden gezien als een bevestiging dat het trappenhuis hun privégedeelte was. Maar dat is niet de maatstaf. De vraag is of dit gedrag van [naam 1] - [naam 2] een aanwijzing vormt dat zij wel degelijk hebben beoogd dat het trappenhuis tot het privégedeelte van het gehuurde behoorde. Dat zou dan in tegenspraak zijn met de verklaring van [naam 1] - [naam 2] in haar e-mail van 20 september 2020. Volgens [eisers] c.s. is die verklaring leugenachtig, maar dat kan enkel op hun woord en de schriftelijke verklaring van hun makelaar niet worden vastgesteld. Dit alles leidt ertoe dat er onvoldoende aanknopingspunten zijn om te concluderen dat beide partijen bij het aangaan van de huurovereenkomst de bedoeling hadden dat de deur van staal/glas en het daarachter gelegen trappenhuis tot het privégedeelte van het gehuurde behoorden. De tekst van de huuraanbieding (zie 1.5) maakt dat niet anders.
c.s. hebben nog gewezen op de inhoud van de overdrachtsakte tussen [naam 1] - [naam 2] en [gedaagden] c.s., waarin het gehuurde wordt omschreven als ruimte op de begane grond, tweede, derde en vierde verdieping met terras. Volgens hen blijkt daaruit dat het trappenhuis tot het gehuurde behoort en [eisers] c.s. daarvan het exclusieve gebruiksrecht hebben. Afgezien van het feit dat deze akte niet tussen verhuurder en huurder is opgemaakt, is niet uit te sluiten dat de partijen bij deze akte met de aanduiding “begane grond” de twee bergingen hebben bedoeld die in de schriftelijke huurovereenkomst zijn vermeld. Die zijn immers op de begane grond gelegen.
Naar het oordeel van de kantonrechter is hier sprake van samenloop. De funderingswerkzaamheden zijn in zoverre dringend dat deze binnen vijf jaar (na oktober 2019) moeten worden uitgevoerd. Niet bekend is hoe lang [eisers] c.s. nog zullen huren en daardoor kunnen zij in redelijkheid niet van [gedaagden] c.s. verlangen dat zij deze termijn volledig afwachten. Het funderingsherstel gaat echter gepaard met de renovatie die [gedaagden] c.s. willen uitvoeren. [eisers] c.s. stellen dat dit meebrengt dat [gedaagden] c.s. een redelijk voorstel moeten doen. Dit standpunt is juist omdat in dit geval, zoals volgt uit het rapport van Duyts Bouwconstructies, de wens om te renoveren vooraf is gegaan aan het onderzoek naar de fundering en het daaruit voortvloeiende funderingsherstel.
De verklaringen voor recht zijn niet in overeenstemming met de beoordeling hiervoor en daarom niet toewijsbaar. Hetzelfde geldt voor de gevorderde verboden. Over de periode van 1 september 2020 tot de datum waarop de voordeur, de entree en het trappenhuis weer voor gewoon gebruik beschikbaar zullen zijn wordt een huurkorting van 20% toegewezen. Bij deze uitkomst past dat de proceskosten tussen partijen zullen worden gecompenseerd, zodat zij elk de eigen kosten dragen.
veroordeelt [eisers] c.s. om, indien en zodra zij een datum of data van [gedaagden] c.s. hebben ontvangen waarop de renovatiewerkzaamheden zullen worden uitgevoerd en [eisers] c.s. op die datum of data geen toegang verschaft of anderszins geen medewerking verleent aan de uit te voeren werkzaamheden, binnen drie dagen na de bewuste datum of data - en na betekening van dit vonnis - deze medewerking te verlenen op straffe van een dwangsom van € 5.000,- per dag met een maximum van € 50.000,-,