ECLI:NL:RBAMS:2021:3776

Rechtbank Amsterdam

Datum uitspraak
31 mei 2021
Publicatiedatum
20 juli 2021
Zaaknummer
AWB 20/4299
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 2 Verordening Parkeerbelasting 2020 gemeente AmsterdamUitvoerings- en aanwijzingsbesluit 2020
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beroep ongegrond tegen naheffingsaanslag parkeerbelasting op fiscale parkeerplek

Eiser kreeg een naheffingsaanslag parkeerbelasting opgelegd omdat zijn auto zonder betaald parkeren stond geparkeerd ter hoogte van een adres in Amsterdam. Eiser voerde aan dat hij dacht op eigen terrein te staan, waar geen parkeerbelasting geldt, mede omdat de plek niet was gemarkeerd met witte parkeervakken maar met andere klinkers.

De rechtbank oordeelde dat parkeren moet worden begrepen als het plaatsen van een voertuig op voor het openbaar verkeer openstaande terreinen waar dit niet verboden is. Dit omvat ook parkeren buiten de parkeervakken. De Verordening Parkeerbelasting 2020 van Amsterdam maakt geen onderscheid tussen parkeren binnen of buiten parkeervakken.

De rechtbank stelde vast dat de plek waar eiser stond een fiscale parkeerplek is waar parkeerbelasting verschuldigd is. Ook was het voldoende kenbaar dat betaald parkeren geldt, omdat er parkeerautomaten en borden in de nabijheid stonden. Het beroep van eiser werd daarom ongegrond verklaard en er werd geen proceskostenvergoeding toegekend.

Uitkomst: Het beroep tegen de naheffingsaanslag parkeerbelasting wordt ongegrond verklaard.

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

Bestuursrecht
zaaknummer: AMS 20/4299

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiser] , te Den Haag, eiser,

en

de heffingsambtenaar van de gemeente Amsterdam, verweerder

( [heffingsambtenaar] ).

Procesverloop

Op 18 juni 2020 heeft de heffingsambtenaar aan [eiser] een naheffingsaanslag parkeerbelasting opgelegd.
Met een uitspraak op bezwaar van 28 juli 2020 heeft de heffingsambtenaar het bezwaar van [eiser] ongegrond verklaard.
[eiser] heeft hiertegen beroep ingesteld. De heffingsambtenaar heeft een verweerschrift ingediend.
De zaak is behandeld op de zitting van 21 mei 2021. [eiser] is verschenen. De heffingsambtenaar heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

1. Op [datum] om [tijdstip] uur is tijdens een controle geconstateerd dat de auto van [eiser] ter hoogte van [adres] te Amsterdam stond, terwijl geen parkeergeld was betaald. De heffingsambtenaar heeft daarom aan [eiser] een naheffingsaanslag opgelegd.
2. [eiser] is het niet eens met de naheffingsaanslag. Volgens [eiser] stond hij op een plek die er uitziet als eigen terrein. Deze plek is niet zichtbaar aangeduid met fiscale parkeervakken. Het is een terrein voor het handhavingsgebouw van de gemeente dat is bestraat met klinkers die verschillen van de klinkers in de fiscale parkeervakken. Alle fiscale parkeervakken zijn volgens [eiser] aangeduid met een witte belijning. Het was voor [eiser] daarom niet duidelijk dat voor hem sprake was van betaald parkeren.
3. De rechtbank oordeelt als volgt. Onder ‘parkeren’ moet worden verstaan parkeren op voor het openbaar verkeer openstaande terreinen of weggedeelten, waarop dit doen of laten staan niet ingevolge een wettelijk voorschrift is verboden. Dit staat in artikel 2 van Pro de Verordening Parkeerbelasting 2020 van de gemeente Amsterdam (de Verordening). Dit betekent dat ook buiten de parkeervakken moet worden betaald.
4. [eiser] heeft op de zitting toegelicht dat hij dacht te staan op eigen terrein of op een plek waar dat niet mocht, maar dit blijkt nergens uit. Uit de stratentabel [1] volgt dat voor parkeren ter hoogte van de [adres] te Amsterdam op het tijdstip dat [eiser] daar stond, parkeerbelasting is verschuldigd. In de Verordening en het bijbehorende Uitvoerings- en aanwijzingsbesluit wordt geen onderscheid gemaakt tussen parkeren in parkeervakken of daarbuiten. De auto van [eiser] stond ten tijde van het opleggen van de naheffingsaanslag dus op een fiscale parkeerplek, waardoor hij parkeerbelasting verschuldigd was.
5. Voor zover [eiser] zich op het standpunt stelt dat het onvoldoende kenbaar was dat hij op die plek parkeerbelasting moest betalen, volgt de rechtbank [eiser] hierin niet. In Amsterdam geldt dat bijna overal betaald moet worden om te parkeren. Dit betaald parkeren regime wordt op straat kenbaar gemaakt door het plaatsen van parkeerautomaten en borden. Vlak bij de plek waar [eiser] met zijn auto geparkeerd stond, staan een parkeerautomaat en een bord. Als parkeerder moet je er dan vanuit gaan dat het parkeren betaald is, ook al is het parkeervak niet gemarkeerd met witte strepen.
6. De naheffingsaanslag is terecht aan [eiser] opgelegd. Dit betekent dat [eiser] geen gelijk krijgt.
7. Het beroep is ongegrond. Voor een proceskostenveroordeling of vergoeding van het griffierecht bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. F.L. Bolkestein, rechter, in aanwezigheid van mr. I.N. van Soest, griffier
.
De beslissing is in het openbaar uitgesproken op
griffier
rechter
Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kunt u binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep instellen bij het gerechtshof Amsterdam, Postbus 1312, 1000 BH Amsterdam.

Voetnoten

1.Bijlage bij artikel 14 van Pro het Uitvoerings- en aanwijzingsbesluit 2020 op grond van de Verordening.