ECLI:NL:RBAMS:2021:3845
Rechtbank Amsterdam
- Voorlopige voorziening
- Rechtspraak.nl
Afwijzing voorlopige voorziening tegen beëindiging opvang LVV en coronaopvang
De zaak betreft twee besluiten van het college van burgemeester en wethouders van Amsterdam tot beëindiging van de opvang van verzoeker: het primaire besluit I van 31 maart 2021 betreffende de landelijke vreemdelingenvoorziening (LVV) en het primaire besluit II van 19 mei 2021 betreffende de coronaopvang.
Verzoeker maakte op 20 mei 2021 bezwaar tegen beide besluiten en verzocht de voorzieningenrechter om een voorlopige voorziening zodat hij opvang zou blijven ontvangen. De voorzieningenrechter oordeelde dat het bezwaar tegen het primaire besluit I te laat was ingediend en niet verschoonbaar, omdat verzoeker pas na afloop van de termijn een advocaat inschakelde terwijl hij had kunnen weten dat hij zes weken had om bezwaar te maken.
Ten aanzien van het primaire besluit II stelde verzoeker dat hij niet kon meewerken aan terugkeer naar zijn land van herkomst vanwege verslavingsproblematiek en ziekte, maar hij leverde onvoldoende bewijs zoals medische verklaringen. De voorzieningenrechter zag daarom geen aanleiding voor een voorlopige voorziening.
Het verzoek om voorlopige voorziening werd afgewezen en er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd. Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.
Uitkomst: Verzoek om voorlopige voorziening tegen beëindiging opvang wordt afgewezen wegens niet-ontvankelijkheid bezwaar en onvoldoende onderbouwing.