ECLI:NL:RBAMS:2021:4093
Rechtbank Amsterdam
- Eerste aanleg - meervoudig
- Rechtspraak.nl
Strafrechtelijke vaststelling onjuiste belastingaangiften en valsheid in geschrift door rechtspersoon
De rechtbank Amsterdam heeft op 5 augustus 2021 uitspraak gedaan in de zaak tegen een rechtspersoon en haar feitelijk leidinggever. De bv werd verdacht van het (laten) doen van onjuiste aangiften omzetbelasting en valsheid in geschrift over de periode 2011 tot 2014, waardoor te weinig belasting werd geheven. De feiten betroffen onder meer het niet aangeven van omzetbelasting op vergoedingen van de Raad voor Rechtsbijstand en het niet of niet tijdig indienen van aangiften omzetbelasting.
De rechtbank stelde vast dat de bv onjuiste aangiften heeft ingediend op basis van onjuiste omzetgegevens die door de feitelijk leidinggever aan de boekhouders werden verstrekt. De bedrijfsadministratie was vals en de aangiften onjuist. De bv heeft zich hiermee schuldig gemaakt aan belastingontduiking en valsheid in geschrift. De rechtbank sprak de bv partieel vrij van medeplegen omdat de bv de feiten niet in vereniging met een ander had begaan.
De rechtbank oordeelde dat sprake was van een voortgezette handeling en dat de strafbaarheid van de bv vaststond. Echter, vanwege de ontbinding van de bv en de reeds opgelegde straf aan de feitelijk leidinggever, werd geen straf of maatregel opgelegd aan de bv. De rechtbank benadrukte het belang van het beschermen van de belastingmoraal en het vertrouwen in belastingplichtigen, maar vond in deze situatie een geldboete niet redelijk.
Uitkomst: De rechtbank verklaart de feiten bewezen maar legt geen straf op aan de ontbonden rechtspersoon.