ECLI:NL:RBAMS:2021:4160

Rechtbank Amsterdam

Datum uitspraak
7 juli 2021
Publicatiedatum
10 augustus 2021
Zaaknummer
AWB - 20 _ 5262
Instantie
Rechtbank Amsterdam
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 2 Boetebesluit socialezekerheidswettenWet Werk en Inkomen naar arbeidsvermogen (WIA)
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Boete opgelegd wegens schending inlichtingenplicht WIA-uitkering

Eiseres ontving een WIA-uitkering en een toeslag op grond van haar gehuwde status. Nadat zij niet meer samenwoonde met haar partner, gaf zij dit niet tijdig door, evenals het ontvangen van een pensioen sinds maart 2019. Verweerder legde haar daarom een boete van €3.227,40 op wegens schending van de inlichtingenplicht.

Eiseres voerde aan dat zij door persoonlijke omstandigheden, waaronder een huwelijkscrisis, niet in staat was de wijzigingen door te geven en stelde verminderde verwijtbaarheid. De rechtbank oordeelde echter dat eiseres zowel objectief als subjectief verwijtbaar handelde, mede omdat zij was gewezen op haar meldingsplicht.

De rechtbank vond geen bewijs voor verminderde verwijtbaarheid en bevestigde dat de boete passend is vastgesteld op 50% van het benadelingsbedrag, conform het Boetebesluit socialezekerheidswetten. Het beroep werd ongegrond verklaard en een proceskostenveroordeling werd niet toegewezen.

Uitkomst: De rechtbank bevestigt de boete van €3.227,40 wegens het niet tijdig doorgeven van wijzigingen in de leefsituatie en pensioen.

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

Bestuursrecht
zaaknummer: AMS 20/5262

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiseres] , te Amsterdam, eiseres

(gemachtigde: mr. S. van der Eijk),
en
de raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen,verweerder
(gemachtigde: mr. J. Lam).

Procesverloop

In het besluit van 17 maart 2020 (het primaire besluit) heeft verweerder een boete van
€ 3.227,40 aan eiseres opgelegd.
In het besluit van 24 augustus 2020 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiseres ongegrond verklaard.
Eiseres heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden via een videoverbinding (Skype) op
26 mei 2021. Eiseres heeft aan de videoverbinding deelgenomen, bijstaan door haar gemachtigde. Verweerder heeft niet deelgenomen aan de videoverbinding.

Overwegingen

1. Aan eiseres is per 27 december 2015 een uitkering op grond van de Wet Werk en Inkomen naar arbeidsvermogen (WIA) toegekend. Aan eiseres is per 27 maart 2017 een toeslag op haar WIA-uitkering toegekend naar de norm gehuwd. Deze toeslag is per
1 november 2017 verlaagd omdat zij niet meer samen met haar partner is. Het teveel aan uitgekeerde toeslag is teruggevorderd van eiseres met een besluit van 17 maart 2020. Het gaat om een bedrag van € 9.668,80. Omdat eiseres niet had gemeld aan verweerder dat zij niet meer samen met haar partner is, is haar in het primaire besluit een boete opgelegd. Ook had eiseres niet gemeld dat zij sinds 1 maart 2019 een pensioen ontvangt van Stichting Rabobank Pensioenfonds. De boete is opgelegd naar een mate van gewone verwijtbaarheid. Daarnaast is rekening gehouden met de financiële omstandigheden van eiseres.
2. Eiseres voert aan dat het haar niet verweten kan worden dat zij de wijzigingen niet heeft doorgegeven. Het was voor eiseres namelijk niet duidelijk of haar relatie wel of geen stand zou houden. Eiseres had niet door dat haar leefsituatie zodanig was veranderd dat zij dit door moest geven. Subsidiair stelt eiseres dat er sprake is van verminderde verwijtbaarheid. Eiseres had namelijk veel last van haar huwelijkscrisis waardoor het doorgeven van deze wijzigen geen prioriteit voor haar was.
3. Voor het opleggen van een boete is vereist dat de overtreder zowel objectief als subjectief een verwijt kan worden gemaakt van het overtreden van de inlichtingenverplichting. Bovendien zal de boete moeten worden afgestemd op de ernst van de overtreding en de mate waarin deze aan de overtreder kan worden verweten. De bestuursrechter toetst zonder terughoudendheid of het boetebesluit voldoet aan de genoemde eisen en leidt tot een evenredige sanctie. Op grond van artikel 2 van Pro het Boetebesluit socialezekerheidswetten wordt de boete bij ‘gewone’ verwijtbaarheid vastgesteld op 50% van het benadelingsbedrag. Afwijking van dit percentage naar boven is gerechtvaardigd indien sprake is van opzet of grove schuld; afwijking van dit percentage naar beneden is aangewezen indien sprake is van verminderde verwijtbaarheid.
4. Op grond van de stukken heeft verweerder aangetoond dat eiseres haar inlichtingenplicht niet is nagekomen door niet onverwijld te melden bij verweerder dat zij niet langer samen met haar partner is en zij een pensioen ontvangt. De rechtbank is van oordeel dat eiseres hiervan zowel objectief als subjectief een verwijt valt te maken. Eiseres is er namelijk in de toekenningsbesluiten en betaalspecificaties op gewezen dat zij wijzigingen in haar situatie binnen één week moet doorgeven. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder dan ook terecht een boete opgelegd aan eiseres.
5. Ten aanzien van het standpunt van eiseres dat er sprake is van verminderde verwijtbaarheid overweegt de rechtbank als volgt. De rechtbank begrijpt dat eiseres in een moeilijke periode zat en dat het niet de hoogste prioriteit voor eiseres had om de wijzigingen door te geven. Dit betekent volgens de rechtbank echter niet dat eiseres niet in staat was om de wijzigingen door te geven. Eiseres heeft ook niet met stukken onderbouwd dat ze bijvoorbeeld wegens medische redenen de wijzigingen niet kon doorgeven. Volgens de rechtbank kan daarom geen verminderde verwijtbaarheid aangenomen worden. Naar het oordeel van de rechtbank is verweerder bij de hoogte van de boete terecht uitgegaan van een boetepercentage van 50% naar een mate van ‘gewone’ verwijtbaarheid.
Conclusie
6. Aan eiseres is terecht een boete opgelegd van € 3.227,40. Het beroep is ongegrond.
7. Voor een proceskostenveroordeling of een vergoeding van het door eiseres betaalde griffierecht bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. D. Sullivan, rechter, in aanwezigheid van mr. A. Vijn, griffier
.De beslissing is in het openbaar uitgesproken op
griffier de rechter is verhinderd te tekenen
Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Centrale Raad van Beroep.
Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening.