Eiser heeft beroep ingesteld tegen het niet tijdig nemen van een besluit op zijn ingebrekestelling gericht aan de heffingsambtenaar van de gemeente Amsterdam. De heffingsambtenaar had te laat beslist op het bezwaar tegen de waardevaststelling van de woning, en eiser stelde dat er nog geen besluit was genomen over de ingebrekestelling en de daarbij behorende dwangsom.
De rechtbank overwoog dat de heffingsambtenaar op 21 mei 2021 alsnog een besluit heeft genomen en de maximale dwangsom van € 1.442,- heeft toegekend. Hierdoor was het belang van het beroep tegen het niet tijdig nemen van een besluit komen te vervallen, en verklaarde de rechtbank het beroep niet-ontvankelijk.
De rechtbank erkende dat het beroep terecht was ingesteld omdat de beslistermijn destijds was verstreken zonder besluit. De heffingsambtenaar werd veroordeeld tot vergoeding van de proceskosten van eiser, vastgesteld op € 561,-, en tot terugbetaling van het betaalde griffierecht van € 49,-.
Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken verzet worden ingesteld bij dezelfde rechtbank.