De zaak betreft een geschil tussen een onderhuurder, de hoofdverhuurder Ymere en de tussenverhuurder [gedaagde 2] B.V. De onderhuurder exploiteert een restaurant in een bedrijfsruimte die door Ymere wordt verhuurd aan [gedaagde 2], die de ruimte vervolgens onderverhuurt aan de onderhuurder.
Naar aanleiding van een geschil tussen Ymere en [gedaagde 2] is de huurovereenkomst tussen hen ontbonden en is een proces-verbaal in executoriale vorm uitgegeven om ontruiming van de bedrijfsruimte te effectueren. De onderhuurder verzocht in kort geding om de executie van dit proces-verbaal te schorsen en het vonnis tot ontruiming door de kantonrechter eveneens te schorsen, stellende dat hij bij het aangaan van de huuropzegging had gedwaald en dat Ymere onredelijk handelt door geen huurovereenkomst met hem aan te gaan.
De voorzieningenrechter oordeelt dat Ymere als eigenaar gerechtigd is de ontruimingstitel uit te voeren en geen verplichting heeft om met de onderhuurder een huurovereenkomst aan te gaan, mede vanwege overlastklachten van de VvE. De vaststellingsovereenkomst tussen Ymere en [gedaagde 2] is rechtsgeldig en de onderhuurder heeft geen recht op schorsing van de executie. Wel wordt de ontruiming uitgesteld tot uiterlijk 31 augustus 2021 om de belangen van de onderhuurder, zoals de coronacrisis en reeds geplande reserveringen, mee te wegen.
De vorderingen van de onderhuurder worden afgewezen en hij wordt veroordeeld in de proceskosten. De onderhuurder moet de bedrijfsruimte uiterlijk op 31 augustus 2021 verlaten, ontruimen en in oorspronkelijke staat opleveren.