Uitspraak
RECHTBANK AMSTERDAM
uitspraak van de voorzieningenrechter in de zaak tussen
[verzoekster] , te Amsterdam, verzoekster
[appellant]
Rechtbank Amsterdam
Verzoekster, met haar minderjarige zoon, verbleef sinds juli 2020 in de noodopvang in Amsterdam. Het college van burgemeester en wethouders besloot haar per 15 oktober 2020 niet langer toe te laten tot de noodopvang en maatschappelijke opvang, omdat zij voldoende zelfredzaam is en geen zorgvraag heeft.
Verzoekster maakte bezwaar en vroeg de voorzieningenrechter om een voorlopige voorziening om langer in de noodopvang te mogen blijven. De voorzieningenrechter oordeelde dat de noodopvang bedoeld is als tijdelijke oplossing met een maximale duur van zes maanden, met een mogelijke verlenging van nog eens drie maanden. Verzoekster verbleef al bijna een jaar in de opvang, zonder aannemelijk te maken dat zij zich had voorbereid op zelfstandige huisvesting.
De voorzieningenrechter concludeerde dat het college terecht heeft geoordeeld dat verzoekster geen recht heeft op maatschappelijke opvang. Ook werd geoordeeld dat het beëindigen van de noodopvang geen schending van het EVRM, IVRK of Unierecht inhoudt, mede omdat ouders primair verantwoordelijk zijn voor het welzijn van hun kinderen.
Het verzoek om een voorlopige voorziening werd daarom afgewezen. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd en tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.
Uitkomst: Het verzoek om in de noodopvang te mogen blijven wordt afgewezen omdat verzoekster als zelfredzaam wordt beschouwd.