In deze bestuursrechtelijke zaak hebben verzoekers beroep ingesteld tegen een omgevingsvergunning die door het college van burgemeester en wethouders van Amsterdam is verleend aan een vergunninghouder voor de bouw van twee woningen in afwijking van het bestemmingsplan. Het perceel betreft een grasland in een lintdorp, met een monumentale begraafplaats op de achtergrond.
Verzoekers betoogden dat de bouw van twee woningen van 9 meter hoog in strijd is met het bestemmingsplan en de Nota Cultuurhistorie Nieuw West, met name vanwege aantasting van zichtlijnen en het cultuurhistorisch belang van de begraafplaats. Ook vreesden zij precedentwerking.
De voorzieningenrechter oordeelde dat het college voldoende heeft gemotiveerd dat de bouw past binnen een goede ruimtelijke ordening en dat de zichtlijnen in voldoende mate behouden blijven. De vrees voor precedentwerking werd ongegrond verklaard vanwege de unieke situatie van het perceel en de specifieke voorwaarden waaronder de vergunning is verleend. Ook werd geoordeeld dat de bouw de cultuurhistorische waarde van de begraafplaats niet aantast. Het beroep werd ongegrond verklaard en het verzoek om voorlopige voorziening afgewezen.