ECLI:NL:RBAMS:2021:493
Rechtbank Amsterdam
- Beschikking
- Rechtspraak.nl
Verdeling huwelijksgoederengemeenschap en uitsluitingsclausule bij echtscheiding
Partijen zijn gehuwd in algehele gemeenschap van goederen. De man erfde een woning onder een uitsluitingsclausule uit het testament van zijn vader, die bepaalt dat deze niet in de huwelijksgemeenschap valt.
De woning werd verkocht en de opbrengst deels verdeeld. De vrouw stelde dat de woning geheel tot de gemeenschap behoorde, de man betwistte dit op grond van de uitsluitingsclausule. De rechtbank oordeelde dat 2/3 van de woning onder de clausule valt en dus privévermogen van de man is, met een vordering van de gemeenschap op het privévermogen van de man voor 1/3 deel.
Verder werd de hypothecaire lening als privéschuld van de man aangemerkt. De rechtbank bepaalde de verdeling van de depotgelden, bankrekeningen, auto en kapitaalverzekering. Verzoeken tot inzage van bankafschriften werden afgewezen wegens onvoldoende belang. De echtscheiding werd uitgesproken en de verdeling van de vermogensbestanddelen vastgesteld.
Uitkomst: De woning valt grotendeels onder een uitsluitingsclausule en behoort tot het privévermogen van de man, met een vordering van de gemeenschap op het privévermogen van de man.