De rechtbank Amsterdam behandelde een zaak waarin verdachte werd beschuldigd van ontuchtige handelingen met een minderjarige en mishandeling van zijn zus. De ontuchtige handelingen betroffen seksuele misdrijven gepleegd tussen 2014 en 2018. De rechtbank achtte de verklaringen van het slachtoffer op zichzelf geloofwaardig, maar vond dat er onvoldoende steunbewijs uit andere bronnen was om aan de bewijsminimumregel te voldoen, waardoor verdachte werd vrijgesproken van deze feiten.
Ten aanzien van de mishandeling van de moeder van het slachtoffer, die tevens de zus van verdachte is, oordeelde de rechtbank dat deze mishandeling bewezen was. Verdachte had haar keel meerdere malen dichtgeknepen op 1 mei 2018. De rechtbank baseerde dit op het proces-verbaal van aangifte, het letselrapport en de verklaring van verdachte zelf.
De rechtbank hield rekening met de persoonlijke omstandigheden van verdachte, waaronder een diagnose binnen het autisme spectrum en verminderde toerekeningsvatbaarheid. Gezien deze omstandigheden en de ernst van het feit legde de rechtbank een geheel voorwaardelijke taakstraf van 30 uur op met een proeftijd van twee jaar, inclusief bijzondere voorwaarden zoals ambulante behandeling en reclasseringstoezicht.
De rechtbank wees een contactverbod af omdat verdachte werd vrijgesproken van de zedelijke feiten en er geen contact meer was tussen verdachte en zijn zus. De strafoplegging weerspiegelt een balans tussen de ernst van de mishandeling en de persoonlijke omstandigheden van verdachte.