De rechtbank Amsterdam heeft op 15 september 2021 uitspraak gedaan in de zaak tegen verdachte, die werd beschuldigd van grooming van een vijftienjarige minderjarige. Verdachte had via een (gay)chatsite en later via Telegram contact gelegd met het slachtoffer, seksuele gesprekken gevoerd en een ontmoeting voorgesteld met het oogmerk ontuchtige handelingen te verrichten.
De rechtbank oordeelde dat verdachte het bewezen ten laste gelegde feit had begaan. De communicatie tussen verdachte en het slachtoffer toonde aan dat verdachte het vertrouwen van het slachtoffer had gewonnen en concreet voorbereidingen had getroffen voor een ontmoeting, waaronder het verstrekken van hotelgegevens en deurcodes. Verdachte had kennis of moest redelijkerwijs vermoeden dat het slachtoffer minderjarig was.
De rechtbank verwierp het verweer van de verdediging dat sprake was van gebrek aan bewijs voor wetenschap van de minderjarige leeftijd en het oogmerk tot ontuchtige handelingen. Verdachte werd veroordeeld tot een gevangenisstraf van 90 dagen, waarvan 86 dagen voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaar, en een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van vier dagen die gelijk stond aan de door verdachte reeds doorgebrachte voorlopige hechtenis.
Daarnaast werd de vordering van de benadeelde partij tot materiële schadevergoeding van €19,38 toegewezen, met wettelijke rente vanaf 11 januari 2020. De vordering tot immateriële schadevergoeding werd afgewezen wegens onvoldoende onderbouwing. Verdachte werd veroordeeld tot betaling van de toegewezen schadevergoeding en de kosten van tenuitvoerlegging.