Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBAMS:2021:5343

Rechtbank Amsterdam

Datum uitspraak
21 september 2021
Publicatiedatum
23 september 2021
Zaaknummer
8815683 EA VERZ 20-758
Instantie
Rechtbank Amsterdam
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Beschikking
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 475fa Rv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beslagvrije voet vastgesteld op 656,78 euro per maand na onvoldoende financiële openheid verzoeker

De rechtbank Amsterdam behandelde een geschil tussen verzoeker en de Staat der Nederlanden over de hoogte van de beslagvrije voet. Na een eerdere tussenbeschikking van 8 maart 2021 diende de Staat een reactie in, waarop verzoeker en de Staat wederom reageerden. De mondelinge behandeling vond plaats via skype op 10 en 17 augustus 2021.

De Staat stelde dat de beslagvrije voet vanaf 1 januari 2021 moest worden vastgesteld op €656,78 per maand vanwege een nieuw beslag en omdat verzoeker eerder een hogere voet uit coulance kreeg. Verzoeker gaf echter geen volledige openheid over zijn inkomsten en ontkende de door de Staat genoemde bedragen, waaronder een nettobedrag van €3.469,00 van de gemeente Terneuzen en €380,00 per maand van een levensverzekering.

De kantonrechter oordeelde dat verzoeker onvoldoende bewijs leverde van zijn financiële situatie en dat hij geen uitzonderlijke noodzakelijke kosten aannemelijk maakte die een hogere beslagvrije voet rechtvaardigen. Daarom werd de beslagvrije voet vastgesteld op €656,78 per maand vanaf 1 januari 2021. Proceskosten werden gecompenseerd, waarbij iedere partij haar eigen kosten draagt.

Uitkomst: De beslagvrije voet wordt vastgesteld op €656,78 per maand vanaf 1 januari 2021, zonder toepassing van de hardheidsclausule.

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

Afdeling privaatrecht
zaaknummer: 8815683 EA VERZ 20-758
beschikking van: 21 september 2021
func.: 33806

beschikking van de kantonrechter

I n z a k e

[verzoeker]

wonende te [woonplaats] , Spanje
verzoeker
nader te noemen: [verzoeker]
procederend in persoon
t e g e n

De Staat der Nederlanden (ministerie van Justitie en Veiligheid)

zetelend te Den Haag
verweerder
nader te noemen: De Staat
gemachtigde: J. Vermeulen (GGN Mastering Credit B.V.)

VERDER VERLOOP VAN DE PROCEDURE

Op 8 maart 2021 is een tussenbeschikking gegeven. Ter uitvoering van die tussenbeschikking heeft De Staat op 30 maart 2021 een reactie ingediend, waarop [verzoeker] op 27 april 2021 heeft gereageerd.
Op 2 juni 2021 heeft De Staat een aanvullende reactie ingediend, waarop [verzoeker] op 16 juni 2021 heeft gereageerd.
Vervolgens is met instemming van partijen de zaak op 10 augustus 2021 mondeling behandeld via een skypeverbinding. [verzoeker] is niet verschenen. Voor De Staat is verschenen J. Vermeulen, namens de gemachtigde.
De mondelinge behandeling is voortgezet via een skypeverbinding op 17 augustus 2021. [verzoeker] is in persoon verschenen. Voor De Staat is verschenen J. Vermeulen, namens de gemachtigde. Partijen hebben hun standpunten toegelicht en vragen van de kantonrechter beantwoord.
Vervolgens is de datum voor beschikking bepaald op heden.
GRONDEN VAN DE BESLISSING

Beoordeling

1. De inhoud van de tussenbeschikking van 8 maart 2021, waaraan de kantonrechter zich houdt, geldt als hier herhaald en ingelast.
2. De Staat voert aan eerder onverplicht (uit coulance) een beslagvrije voet gehanteerd te hebben van € 821,51, maar dat daarvoor geen ruimte meer bestaat in verband met een nieuw beslag van 24 december 2020. De beslagvrije voet dient daarom vanaf 1 januari 2021 te worden vastgesteld op € 656,78 per maand. [verzoeker] heeft geen volledige openheid van zaken gegeven, terwijl dit wel van hem mag worden verwacht. Hij heeft namelijk over de periode van 1 februari tot en met 30 april 2021 nog ander inkomen ontvangen dat door hem is verzwegen c.q. achtergehouden. Dit inkomen betreft een nettobedrag van € 3.469,00 afkomstig van Terneuzen en een nettobedrag van € 380,00 per maand van de Levensverzekering Mij. N.V.
3. [verzoeker] stelt dat hij niet kan rondkomen van een beslagvrije voet van € 656,78, omdat zijn huur en nutsvoorzieningen al € 695,00 per maand bedragen. [verzoeker] weet niet waar het door De Staat genoemde bedrag van € 3.469,00 vandaan komt. Ook het genoemde nettobedrag van € 380,00 per maand van de Levensverzekering Mij. N.V. is onjuist. [verzoeker] betaalt zijn pensioen rechtstreeks aan zijn ex-vrouw, omdat hij dit bij de scheiding in 2014 met haar is overeengekomen. [verzoeker] verzoekt om de beslagvrije voet vanaf augustus 2020 vast te stellen op € 1.478,80.
4. De kantonrechter is van oordeel dat [verzoeker] onvoldoende inzicht heeft gegeven in zijn financiële situatie, terwijl hij is gewezen op de noodzaak om zijn financiële positie met bewijsstukken te onderbouwen. Het feit dat hij zijn gehele AOW-uitkering aan zijn ex-vrouw overmaakt, thans met een nieuwe omschrijving “Door te betalen AOW”, duidt op het feit dat [verzoeker] over andere bronnen van inkomsten beschikt. Dat wordt ondersteund door de constatering van De Staat dat [verzoeker] over de periode van 1 februari tot en met 30 april 2021 een nettobedrag van € 3.469,00 van de gemeente Terneuzen heeft ontvangen en dat hij daarnaast een nettobedrag van € 380,00 per maand van de Levensverzekering Mij. N.V. ontvangt. [verzoeker] heeft hierover geen afdoende verklaring gegeven. Het had op de weg van [verzoeker] gelegen om uit eigen beweging zoveel mogelijk openheid van zaken te verschaffen om op die manier alle onduidelijkheid omtrent zijn financiële situatie weg te nemen. [verzoeker] heeft geen bewijsstukken overgelegd met betrekking tot zijn maandelijkse inkomsten en uitgaven, afgezien van een huurovereenkomst van 19 december 2019 en enkele afschriften van zijn betaalrekening waarop maar een zeer beperkt aantal inkomsten en uitgaven is vermeld. De maandelijkse uitgaven die [verzoeker] stelt te hebben, waaronder zijn huurbetalingen, zijn hierop niet vermeld, zodat deze uitgaven niet controleerbaar zijn. De gestelde uitgaven zijn bovendien niet te kwalificeren als uitzonderlijke en noodzakelijke, niet (deels) via andere wegen te verlagen extra kosten waardoor [verzoeker] onder het bestaansminimum komt.
5. De conclusie is dat [verzoeker] onvoldoende heeft gesteld en onderbouwd over zijn financiële situatie om te kunnen beoordelen of sprake is van een onevenredige hardheid als bedoeld in artikel 475fa Rv.
6. De kantonrechter zal daarom bepalen dat de beslagvrije voet met ingang van 1 januari 2021 moet worden vastgesteld op € 656,78 per maand.
7. Gelet op de aard van de onderhavige procedure zullen de proceskosten worden gecompenseerd. Dat betekent dat partijen ieder de eigen kosten dragen.

BESLISSING

De kantonrechter:
bepaalt dat de beslagvrije voet met ingang van 1 januari 2021 moet worden vastgesteld op € 656,78 per maand;
compenseert de proceskosten aldus dat iedere partij de eigen kosten draagt;
verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad;
wijst het meer of anders verzochte af.
Aldus gegeven door mr. E.D. Bonga-Sigmond, kantonrechter, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 21 september 2021 in tegenwoordigheid van de griffier.