De rechtbank Amsterdam behandelde op 29 juli 2021 de vordering tot overlevering van een persoon aan Polen op basis van een Europees aanhoudingsbevel (EAB) van 25 november 2013. De opgeëiste persoon werd verdacht van diefstal met braak en is veroordeeld tot een vrijheidsstraf van 1 jaar en 2 maanden, waarvan nog ruim een jaar rest.
De rechtbank stelde vast dat de opgeëiste persoon ten minste vijf jaar ononderbroken rechtmatig in Nederland verbleef en dat hij niet zijn recht van verblijf in Nederland zal verliezen door de straf. Op grond daarvan is hij gelijkgesteld met een Nederlander volgens artikel 6a OLW. De rechtbank oordeelde dat de tenuitvoerlegging van de straf in Nederland kan worden overgenomen en dat de straf niet onverenigbaar is met Nederlands recht.
Daarom werd de overlevering aan Polen geweigerd en gelijktijdig de tenuitvoerlegging van de vrijheidsstraf in Nederland bevolen. Tevens werd de gevangenhouding van de opgeëiste persoon tot aan de tenuitvoerlegging van de straf bevolen. Tegen deze uitspraak staat geen gewoon rechtsmiddel open.