ECLI:NL:RBAMS:2021:5636

Rechtbank Amsterdam

Datum uitspraak
6 oktober 2021
Publicatiedatum
5 oktober 2021
Zaaknummer
AWB - 21_3823
Instantie
Rechtbank Amsterdam
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:54 AwbArt. 8:55c AwbArt. 8:55d AwbArt. 6:2 AwbArt. 7:1 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beroep gegrond wegens niet tijdig besluit WOZ-waardebepaling en vaststelling dwangsom

Eiser heeft beroep ingesteld tegen het niet tijdig nemen van een besluit door de gemeente Amsterdam op zijn aanvraag voor een WOZ-waardebepaling van een object voor belastingjaar 2015. Ondanks verzoeken heeft verweerder geen stukken of verweerschrift ingediend, waardoor de rechtbank uitgaat van de door eiser verstrekte informatie.

De rechtbank stelt vast dat de aanvraag en ingebrekestelling tijdig per e-mail en fax zijn verzonden en dat verweerder ontvangst daarvan niet heeft betwist. Op grond van de Wet waardering onroerende zaken (WOZ) had verweerder binnen acht weken moeten beslissen, wat niet is gebeurd. De rechtbank verklaart het beroep gegrond en stelt de verbeurde dwangsom vast.

Verweerder is een dwangsom verschuldigd vanaf twee weken na ontvangst van de ingebrekestelling tot en met de dag van de uitspraak, met een totaalbedrag van € 1.442. Daarnaast wordt verweerder opgedragen binnen twee weken na verzending van de uitspraak alsnog een besluit te nemen, met een dwangsom van € 100 per dag bij overschrijding, tot een maximum van € 15.000.

De rechtbank veroordeelt verweerder tevens in de proceskosten van eiser en draagt verweerder op het betaalde griffierecht te vergoeden. Tegen deze uitspraak staat verzet open binnen zes weken na verzending.

Uitkomst: Het beroep wordt gegrond verklaard en verweerder wordt opgedragen binnen twee weken alsnog een besluit te nemen, met vaststelling van een dwangsom van € 1.442 en een dwangsom van € 100 per dag bij overschrijding.

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

Bestuursrecht
zaaknummer: AWB 21/3823

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiser], eiser
(gemachtigde: mr. A. Bakker),
en

de heffingsambtenaar van de gemeente Amsterdam, verweerder

Procesverloop

Eiser heeft op 19 juli 2021 beroep ingesteld tegen het niet tijdig nemen van een besluit op zijn aanvraag.
Verweerder heeft, ondanks een verzoek daartoe van de rechtbank, geen stukken en ook geen verweerschrift ingediend.

Overwegingen

1. De rechtbank doet op grond van artikel 8:54 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb) uitspraak zonder zitting.
2. Tegen het niet tijdig nemen van een besluit kan beroep worden ingesteld. [1] Het beroepschrift kan worden ingediend als het bestuursorgaan niet tijdig een besluit heeft genomen en twee weken zijn verstreken nadat een schriftelijke ingebrekestelling door het bestuursorgaan is ontvangen. [2]
3. Verweerder heeft in dit dossier geen stukken ingediend. De rechtbank gaat daarom uit van de door eiser verstrekte informatie. Eiser heeft verweerder per email en per fax op
8 april 2021 verzocht om een beschikking waarin op grond van de Wet waardering onroerende zaken (WOZ) de waarde voor het object Houtmankade 40-V voor belastingjaar 2015 wordt vastgesteld. Per email van 13 juni 2021 heeft eiser verweerder in gebreke gesteld.
4. De rechtbank stelt vast dat de aanvraag en de ingebrekestelling per email en per fax aan verweerder zijn verstuurd. Het is aan eiser om aan te tonen dat deze stukken ook daadwerkelijk naar het correcte adres zijn verstuurd. Op het verzoek van de rechtbank om een verzendbewijs te overleggen heeft eiser een print van de email van 8 april 2021 overgelegd waarbij blijkt dat de aanvraag is verstuurd naar het email adres ‘postkamer@dbga.amsterdam.nl.’ Daarnaast heeft eiser een print vanuit een gmail account overgelegd, waarop staat ‘fax succesvol verzonden naar 0202554910’ voor zowel de ingebrekestelling als voor de aanvraag. Verweerder heeft niet gereageerd op het verzoek van de rechtbank om stukken en een verweerschrift in te sturen, noch op de aanvullende stukken die eiser heeft ingebracht. De rechtbank gaat er daarom vanuit dat verweerder ontvangst van de aanvraag noch de ingebrekestelling bestrijdt. Zonder ontkenning van ontvangst is de rechtbank van oordeel dat de door eiser ingebrachte stukken daadwerkelijke verzending naar verweerder voldoende aannemelijk maken. Aan de voorwaarden voor het instellen van beroep tegen een fictief besluit is daarom voldaan.
4. Uit artikel 28, eerste lid van de WOZ volgt dat verweerder binnen acht weken op het verzoek moet beslissen. Verweerder heeft dit niet gedaan.
5. Het beroep is daarom gegrond.
6.
Als een beschikking niet op tijd wordt genomen, is het bestuursorgaan een dwangsom verschuldigd voor elke dag (vanaf de vijftiende dag na ontvangst van de ingebrekestelling) dat het in gebreke is voor ten hoogste 42 dagen. De dwangsom bedraagt de eerste veertien dagen € 23 per dag, de daaropvolgende veertien dagen € 35 per dag en de overige dagen € 45 per dag [3] . Het bestuursorgaan stelt de dwangsom vast binnen twee weken na de laatste dag waarover de dwangsom verschuldigd was [4] .
7. Verweerder heeft de hoogte van de dwangsom niet vastgesteld. De rechtbank doet dit daarom zelf met toepassing van artikel 8:55c van de Awb. Verweerder is een dwangsom verschuldigd vanaf 28 juni 2021, zijnde twee weken na ontvangst van de ingebrekestelling op 13 juni 2021, tot en met 9 augustus 2021 . De verbeurde dwangsom bedraagt derhalve het maximale bedrag van € 1.442,-.
8. Als het beroep gegrond is en er nog geen besluit is bekendgemaakt, draagt de rechtbank het bestuursorgaan op om binnen twee weken na de dag waarop de uitspraak wordt verzonden alsnog een besluit bekend te maken. Alleen in bijzondere gevallen kan de rechtbank een andere termijn bepalen (artikel 8:55d, eerste en derde lid, van de Awb). Verweerder heeft geen verweerschrift ingediend en heeft dan ook geen bijzondere omstandigheden naar voren gebracht. Dat betekent dat verweerder uiterlijk binnen twee weken na de dag waarop deze uitspraak wordt verzonden alsnog een besluit bekend moet maken.
9. De rechtbank bepaalt met toepassing van artikel 8:55d, tweede lid, van de Awb en in overeenstemming met het landelijke beleid (gepubliceerd op www.rechtspraak.nl) dat verweerder een dwangsom van € 100,- verschuldigd is voor elke dag waarmee de hiervoor genoemde termijn wordt overschreden, met een maximum van € 15.000,-.
10. De rechtbank veroordeelt verweerder in de door eiser gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 374,- (1 punt voor het indienen van het beroepsschrift met een waarde per punt van € € 748,-en een wegingsfactor 0,5). De rechtbank is van oordeel dat deze zaak van licht gewicht is, omdat de zaak alleen gaat over de vraag of de beslistermijn is overschreden en of er een dwangsom verschuldigd is.

Beslissing

De rechtbank:
  • verklaart het beroep gegrond;
  • stelt de door verweerder verbeurde dwangsom vast op € 1.442
  • draagt verweerder op binnen
  • bepaalt dat verweerder aan eiser een dwangsom van € 100,- verbeurt voor elke dag waarmee hij de hiervoor genoemde termijn overschrijdt, met een maximum van € 15.000,‑;
  • draagt verweerder op het betaalde griffierecht van € 49,- aan eiser te vergoeden;
  • veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 374,-.
Deze uitspraak is gedaan door mr. A.J. Dondorp, in aanwezigheid van mr. N. van der Kroft, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 6 oktober 2021.
griffier
rechter
Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan verzet worden ingesteld bij deze rechtbank. De indiener van het verzetschrift kan daarbij vragen in de gelegenheid te worden gesteld over het verzet te worden gehoord.

Voetnoten

1.Op grond van artikel 6:2, aanhef en onder b, in samenhang met artikel 7:1, eerste lid, aanhef en onder f, van de Awb.
2.Artikel 6:12, tweede lid, van de Awb
3.Artikel 4:17 van Pro de Awb
4.Artikel 4:18, eerste lid, van de Awb