De rechtbank Amsterdam behandelde een zaak waarin verdachte werd verdacht van poging tot doodslag en poging tot zware mishandeling op 21 juni 2019, en van lokaalvredebreuk op 23 augustus 2020. Na onderzoek en meerdere zittingen werd verdachte vrijgesproken van poging tot doodslag en lokaalvredebreuk. De rechtbank achtte bewezen dat verdachte zich schuldig maakte aan poging tot zware mishandeling door het slachtoffer op het bed te smijten, op haar borstkas te zitten en haar keel dicht te knijpen.
De verklaringen van het slachtoffer werden ondersteund door getuigenverklaringen en telefoongegevens, terwijl de verklaring van verdachte niet geloofwaardig werd bevonden. Het letsel bij het slachtoffer bevestigde de mishandeling. De rechtbank oordeelde dat verdachte bewust de aanmerkelijke kans op zwaar lichamelijk letsel heeft aanvaard.
De rechtbank veroordeelde verdachte tot een gevangenisstraf van drie maanden, met aftrek van voorarrest, zonder voorwaardelijk deel. Een locatie- en contactverbod werd niet opgelegd vanwege het ontbreken van recidivegevaar. De immateriële schadevergoeding aan het slachtoffer werd vastgesteld op €1.500,- met wettelijke rente, terwijl de materiële schadevergoeding werd afgewezen wegens gebrek aan rechtstreeks verband.
Deze uitspraak weerspiegelt een zorgvuldige afweging van bewijs, juridische kwalificaties en proportionaliteit van de straf en maatregelen.