ECLI:NL:RBAMS:2021:5981

Rechtbank Amsterdam

Datum uitspraak
27 augustus 2021
Publicatiedatum
19 oktober 2021
Zaaknummer
AMS 20/6970
Instantie
Rechtbank Amsterdam
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Overig
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6:19 AwbArt. 1 Wet op de zorgtoeslagArt. 2 lid 4 Wet op de zorgtoeslagArt. 5 AWIR
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beoordeling voorschot zorgtoeslag 2019 na wijziging woonsituatie en verzekeringsstatus

De Belastingdienst Toeslagen (B/T) stelde het voorschot zorgtoeslag van eiser voor 2019 definitief vast op €1.525,- en verklaarde het bezwaar van eiser ongegrond. Eiser stelde beroep in tegen dit besluit. Later nam B/T een nieuw besluit waarbij het bezwaar alsnog gegrond werd verklaard en de zorgtoeslag werd verhoogd naar €1.631,-, waarbij voor de maanden april, mei en juni 2019 een gedeeltelijke toeslag werd toegekend aan de echtgenote van eiser die niet verzekerd was vanwege haar verblijfsstatus.

De rechtbank verklaarde het beroep tegen het eerste besluit niet-ontvankelijk omdat dit besluit was gewijzigd. Vervolgens onderzocht de rechtbank of het nieuwe besluit op goede gronden was genomen. De rechtbank oordeelde dat de wijziging in de woonsituatie van eiser en zijn echtgenote per 11 maart 2019 pas per 1 april 2019 in aanmerking kon worden genomen volgens artikel 5 AWIR Pro.

Verder werd geoordeeld dat de echtgenote van eiser terecht niet verzekerd was in de maanden april tot en met juni 2019 vanwege haar verblijfsstatus, en dat de zorgtoeslag voor die maanden terecht op 50% werd vastgesteld. Het beroep tegen het tweede besluit werd daarom ongegrond verklaard. De rechtbank veroordeelde B/T tot vergoeding van griffierecht en proceskosten aan eiser.

Uitkomst: Het beroep tegen het eerste besluit is niet-ontvankelijk verklaard en het beroep tegen het tweede besluit ongegrond; de zorgtoeslag is correct vastgesteld.

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

Bestuursrecht
zaaknummer: AMS 20/6970

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiser] , te Amsterdam, eiser (hierna: [eiser] )

( [gemachtigde eiser] ),
en

Belastingdienst Toeslagen, verweerder

( [belasting inspecteur] ).

Procesverloop

Met een besluit van 4 september 2020 (het primaire besluit) heeft de Belastingdienst Toeslagen (B/T) het voorschot zorgtoeslag van [eiser] voor het jaar 2019 definitief vastgesteld op € 1.525,-.
Met een besluit van 3 december 2020 (het bestreden besluit I) heeft de B/T het bezwaar van [eiser] ongegrond verklaard.
[eiser] heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.
Met een besluit van 8 juli 2021 (het bestreden besluit II) heeft de B/T een nieuw besluit genomen, waarbij het bezwaar van [eiser] alsnog gegrond is verklaard. Met toepassing van artikel 6:19 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb), heeft de rechtbank het beroep tegen het besluit van 3 december 2020 mede gericht geacht tegen het besluit van 8 juli 2021.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 14 juli 2021 via een videobeeldverbinding.
[eiser] is niet verschenen. De B/T heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

1. [eiser] is getrouwd met [naam] . Zijn echtgenote woont met haar kinderen sinds 11 maart 2019 op het woonadres van [eiser] , sinds 20 maart 2019 is zij daar ingeschreven. Tot 11 maart 2019 woonde [eiser] ’s echtgenote in Marokko. De twee kinderen zijn in Nederland verzekerd per 20 maart 2019, [eiser] ’s echtgenote is verzekerd vanaf 15 juni 2019. De zorgverzekeraar heeft [eiser] ’s echtgenote niet eerder kunnen inschrijven omdat zij nog geen geldige verblijfstitel had.
2. Met het bestreden besluit heeft de B/T de zorgtoeslag voor 2019 gehandhaafd op
€ 1.525 en de bezwaren van [eiser] ongegrond verklaard. B/T heeft geen zorgtoeslag toegekend voor de echtgenote van [eiser] over de maanden april, mei en juni 2019 omdat zij als zijn echtgenote toeslagpartner was, op hetzelfde adres woonde in Nederland en zij niet in Nederland verzekerd was.
3. Met het bestreden besluit II heeft de B/T de bezwaren van [eiser] gegrond verklaard en is zijn zorgtoeslag over het jaar 2019 vastgesteld op € 1.631,-. De B/T heeft voor de maanden april, mei en juni alsnog zorgtoeslag toegekend aan [eiser] en zijn echtgenote, waarbij voor zijn echtgenote een bedrag van 50% is toegekend voor de betreffende maanden omdat zij weliswaar niet in Nederland verzekerd was. [eiser] ’s echtgenote is aangemerkt als terecht niet-verzekerd in die zin dat [eiser] moeite heeft gedaan om haar te verzekeren maar dit vanwege de verblijfsstatus niet kon en dat dit hem niet aan te rekenen is.
Standpunt van [eiser]
4. [eiser] stelt zich op het standpunt dat de definitieve berekening van zorgtoeslag over het jaar 2019 onzorgvuldig tot stand is gekomen en dat de hoogte van de definitieve berekening onjuist is vastgesteld. Volgens [eiser] hebben zijn echtgenote en kinderen recht op het ontvangen van zorgtoeslag vanaf 11 maart 2019, omdat zij vanaf dat moment in Nederland woonden. Dat hij per 11 maart 2019 geen zorgverzekering kon afsluiten voor zijn echtgenote en kinderen is te wijten aan de niet voldoende voortvarende verwerking van gegevens in overheidssystemen.
Wettelijk kader
5.1
Omdat de zorgtoeslag een tegemoetkoming is in de premie voor een zorgverzekering ingevolge artikel 1, onder d, van de Wet op de zorgtoeslag, bestaat er alleen recht op zorgtoeslag indien en een zorgverzekering in de zin van de Zorgverzekeringswet is afgesloten voor de desbetreffende periode.
5.2
Op grond van artikel 2, vierde lid, van de Wet op de zorgtoeslag is de aanspraak op een zorgtoeslag voor een verzekerde met een partner die geen verzekerde is, vijftig procent van hetgeen een belanghebbende met een toeslagpartner die beiden zorgverzekerd zijn toegekend zouden krijgen.
5.3
Uit artikel 5 van Pro de Algemene wet inkomensafhankelijke regelingen (AWIR) wordt een wijziging in de omstandigheden en van de leeftijd van de belanghebbende, de partner of een medebewoner die zich voordoet na de eerste dag van de maand, in aanmerking genomen vanaf de eerste dag van de daaropvolgende maand.
Het oordeel van de rechtbank
Ten aanzien van het bestreden besluit I
6. Het Uwv heeft in beroep een gewijzigde beslissing op bezwaar genomen. Nu het bestreden besluit I door de B/T is gewijzigd door het bestreden besluit II en niet is gebleken dat [eiser] nog belang heeft bij inhoudelijke beoordeling van dat eerste besluit, zal de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit I niet-ontvankelijk verklaren. De rechtbank zal hierna onderzoeken of de B/T de hoogte van de toeslag in het bestreden besluit II op goede gronden zorgtoeslag heeft vastgesteld.
Ten aanzien van het bestreden besluit II
7. De rechtbank stelt vast dat gelet op de beroepsgronden het beroep zich richt op de door de B/T verleende zorgtoeslag na de komst van [eiser] ’s echtgenote en kinderen op 11 maart 2019 in Nederland.
8. De rechtbank is van oordeel dat de B/T zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat de ingangsdatum voor een wijziging in dit geval per 1 april 2019 is. De echtgenote van [eiser] en haar kinderen zijn vanaf 11 maart 2019 bij hem woonachtig, deze wijziging in woonsituatie wordt ingevolge artikel 5 van Pro de AWIR in aanmerking genomen vanaf de eerste dag van de daaropvolgende maand, dus per 1 april 2019.
9. [eiser] heeft aangevoerd dat zijn echtgenote een verblijfsrecht had met ingang van de datum van haar vestiging bij hem op grond van de Chavez/Vilchez jurisprudentie. Naar het oordeel van de rechtbank volgt daaruit echter niet dat zij reeds daarom in aanmerking kan komen voor zorgtoeslag. Immers blijkt uit de stukken dat zij niet eerder dan per 15 juni 2019 verzekerd was. Deze wijziging kan ook niet eerder dan op 1 juli 2019 gevolg hebben voor de berekening van de toeslag. Nu de echtgenote van [eiser] wel toeslagpartner was van eiser omdat zij op hetzelfde adres woonde maar niet verzekerd was tussen 11 maart 2019 en 15 juni voldeed zij niet aan de vereisten van toekenning van een zorgtoeslag. Verweerder heeft op goede gronden het niet-verzekerd zijn van zijn echtgenote beoordeeld als terecht niet-verzekerd en het recht in zoverre over de betreffende maanden april, mei en juni vastgesteld op 50%.
Conclusie
10. De rechtbank zal het beroep tegen het bestreden besluit I niet-ontvankelijk verklaren. Het beroep tegen het bestreden besluit II zal de rechtbank ongegrond verklaren, omdat de B/T de hoogte van de zorgtoeslag over 2019 naar de juiste hoogte heeft berekend.
11. Omdat de B/T in de fase van beroep een nieuw besluit heeft genomen dient de B/T aan [eiser] het door hem betaalde griffierecht van € 48,- te vergoeden. De rechtbank veroordeelt de B/T daarnaast in de door [eiser] gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde verleende rechtsbijstand vast op € 748,- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift, met een waarde per punt van € 748,- en een wegingsfactor 1).

Beslissing

De rechtbank:
  • verklaart het beroep tegen het bestreden besluit I niet-ontvankelijk;
  • verklaart het beroep tegen het bestreden besluit II ongegrond;
  • draagt de B/T op het betaalde griffierecht van € 48,- aan [eiser] te vergoeden;
  • veroordeelt de B/T in de proceskosten van [eiser] tot een bedrag van € 749,-.
Deze uitspraak is gedaan door mr. M.M. Verberne, rechter, in aanwezigheid van mr. N. Bissumbhar, griffier
.De beslissing is in het openbaar uitgesproken op
griffier
rechter
Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.
Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening.