ECLI:NL:RBAMS:2021:6050
Rechtbank Amsterdam
- Eerste aanleg - meervoudig
- Rechtspraak.nl
Afwijzing vordering ontneming wederrechtelijk verkregen voordeel handel harddrugs wegens ontbreken bewijs aandeel veroordeelde
De rechtbank Amsterdam behandelde op 20 oktober 2021 de vordering van de officier van justitie tot ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel van maximaal €123.425,54, voortvloeiend uit de handel in harddrugs door veroordeelde.
Veroordeelde was eerder veroordeeld voor medeplegen van het handelen in strijd met de Opiumwet en het voorbereiden daarvan door het voorhanden hebben van voorwerpen en stoffen. De drugs waren verspreid in de gezamenlijke woning van veroordeelde en een medeverdachte, waarbij het initiatief en de administratie voornamelijk bij de medeverdachte lagen.
Hoewel veroordeelde bekend was met de drugs en de verkoop, kon de rechtbank niet vaststellen welk aandeel in de opbrengsten hij daadwerkelijk had genoten. Daarom ging de rechtbank ervan uit dat het gehele voordeel bij de medeverdachte terechtkwam en wees de vordering tot ontneming af.
De verdediging had primair verzocht de vordering af te wijzen wegens gebrek aan bewijs en subsidiair om de vordering te matigen tot de bijschrijvingen op de bankrekeningen. De rechtbank volgde het primaire standpunt en wees de vordering af.
Uitkomst: De rechtbank wijst de vordering tot ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel af wegens gebrek aan bewijs dat veroordeelde voordeel heeft genoten.