ECLI:NL:RBAMS:2021:6180

Rechtbank Amsterdam

Datum uitspraak
6 oktober 2021
Publicatiedatum
28 oktober 2021
Zaaknummer
AWB - 21 _ 694
Instantie
Rechtbank Amsterdam
Type
Uitspraak
Uitkomst
Niet-ontvankelijk
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:55d AwbArt. 1:3 AwbWetboek van Burgerlijke Rechtsvordering
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Rechtbank verklaart zich onbevoegd over betaling dwangsom Sociale Verzekeringsbank

Eiser heeft kinderbijslag aangevraagd en beroep ingesteld tegen het niet tijdig beslissen op deze aanvraag. De rechtbank bepaalde op 22 mei 2020 dat de Sociale Verzekeringsbank (Svb) binnen twee weken een besluit moest nemen en stelde een dwangsom vast voor overschrijding van deze termijn.

De Svb nam op 3 juni 2020 een besluit en bevestigde dit in een brief van 17 september 2020. Eiser maakte bezwaar tegen deze brief, maar stelde geen beroep in tegen de beslissing op bezwaar. Wel stelde eiser beroep in tegen een brief van 2 december 2020 waarin de Svb het verzoek tot uitbetaling van de dwangsom afwees.

De rechtbank oordeelt dat de brief van 2 december 2020 geen bestuursrechtelijk besluit is in de zin van de Awb. De betaling van de dwangsom moet worden afgedwongen via de burgerlijke rechter volgens de regels van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering. Daarom verklaart de rechtbank zich onbevoegd om kennis te nemen van het geschil over de dwangsom.

Uitkomst: De rechtbank verklaart zich onbevoegd om te oordelen over de betaling van de dwangsom en verwijst eiser naar de burgerlijke rechter.

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

Bestuursrecht
zaaknummer: AMS 21/694

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiser] , te Amsterdam, eiser (hierna: [eiser] )

en

de raad van bestuur van de Sociale verzekeringsbank, verweerder (hierna: Svb)

(gemachtigde: mr. J.A.H. Koning).

Procesverloop

[eiser] heeft op 31 januari 2021 beroep ingesteld tegen de brief van de Svb van
2 december 2020, waarbij zijn verzoek om uitbetaling van de door de rechtbank op
22 mei 2020 bepaalde dwangsom werd afgewezen.
De Svb heeft een verweerschrift ingediend.
De rechtbank heeft de zaak op 25 augustus 2021 behandeld op een zitting met beeld- en geluidverbinding (Skype). [eiser] is verschenen. De Svb is met bericht van verhindering niet verschenen.

Overwegingen

1. Op 10 november 2019 heeft [eiser] kinderbijslag aangevraagd voor [kind 1] en [kind 2] . Op 31 januari 2020 heeft [eiser] beroep ingesteld tegen het niet tijdig beslissen op zijn aanvraag. Deze rechtbank heeft de Svb bij uitspraak van 22 mei 2020 opgedragen om binnen twee weken na de bekendmaking van de uitspraak alsnog een besluit te nemen. De rechtbank heeft ook bepaald [1] dat de Svb een dwangsom van € 100,- per dag verbeurt voor elke dag waarmee de opgelegde termijn wordt overschreden, met een maximum van € 15.000,-.
2. Op 3 juni 2020 heeft de Svb vervolgens het besluit genomen. Daarna heeft de Svb in de brief van 17 september 2020 de inhoud van het besluit van 3 juni 2020 herhaald. [eiser] heeft tegen deze brief bezwaar gemaakt en de Svb heeft op 2 december 2020 een beslissing op het bezwaar genomen. Tegen deze beslissing heeft [eiser] geen beroep ingesteld. Op de zitting heeft [eiser] toegelicht dat hij het eens is met de inhoud van deze brief en de beslissing op bezwaar van 2 december 2020.
3. [eiser] heeft wel beroep ingesteld tegen de brief van 2 december 2020, waarbij zijn verzoek om uitbetaling van de dwangsom is afgewezen. [eiser] stelt zich op het standpunt dat de Svb zich niet heeft gehouden aan de uitspraak van de rechtbank van 22 mei 2020, omdat de Svb pas op 17 september 2020 een besluit op zijn aanvraag heeft genomen. [eiser] acht de rechtbank bevoegd hierover te oordelen.
4. De Svb is van mening dat de rechtbank onbevoegd is om te beslissen over de hoogte van de dwangsom. De burgerlijke rechter is bevoegd.
Oordeel van de rechtbank
5. Het geschil gaat over de betaling van een dwangsom die de rechtbank met toepassing van artikel 8:55d, tweede lid, van de Awb aan een uitspraak heeft verbonden. Uit deze bepaling en de geschiedenis van de totstandkoming [2] ervan volgt dat een dergelijke dwangsom ten uitvoer kan worden gelegd volgens de regels van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering. De brief van 2 december 2020 is geen besluit in de zin van artikel 1:3, eerste lid, van de Awb. Dat betekent dat [eiser] niet bij de bestuursrechter kan procederen over de betaling van de dwangsom en zich daarvoor tot de burgerlijke rechter zal moeten wenden. [3]
Conclusie
6. De rechtbank is onbevoegd om kennis te nemen van deze zaak. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart zich onbevoegd.
Deze uitspraak is gedaan door mr. A.E.J.M. Gielen, rechter, in aanwezigheid van
mr. M.M. Mazurel, griffier
.De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 6 oktober 2021.
griffier
rechter
Afschrift verzonden aan partijen op:

Wat kunt u doen als u het niet eens bent met deze uitspraak?

Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen vier weken na de dag van bekendmaking.

Voetnoten

1.Met toepassing van artikel 8:55d, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).
2.Kamerstukken II 2009/10, 32 450, nr. 3, blz. 51.
3.Zie de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 29 april 2020, ECLI:NL:RVS:2020:1152, r.o. 7.