Partijen hadden twintig jaar een relatie en waren gezamenlijk eigenaar van een woning. Na beëindiging van hun relatie in 2018 en het vertrek van de man uit de woning, bleef de vrouw met de kinderen in de woning wonen. De man wilde zijn deel van de overwaarde ontvangen en stelde zekerheidseisen voor de overname van de woning door de vrouw.
In een eerder kort geding werd de vrouw tot 1 december 2020 de tijd gegeven om de woning over te nemen, met de verplichting om de overbedelingsvergoeding in vijf jaarlijkse termijnen te voldoen. De vrouw slaagde er niet in tijdig de financiering rond te krijgen, mede door vertragingen bij de hypotheekaanvraag. De man stelde daarop een termijn tot 1 juli 2021 en gaf aan bij niet-nakoming het vonnis te zullen executeren.
De vrouw vorderde in dit kort geding onder meer dat de man zou worden verboden het vonnis uit te voeren en dat hij medewerking zou verlenen aan de overname. De man vorderde onder meer machtiging tot verkoop van de woning en medewerking van de vrouw daaraan.
De voorzieningenrechter oordeelde dat de vrouw voldoende tijd had gehad om de woning over te nemen en dat de man niet onredelijk had gehandeld door zekerheid te verlangen. De vertraging in de financiering kon niet aan de man worden toegerekend. Er was geen sprake van misbruik van recht. De vorderingen van de vrouw werden afgewezen en ook de vorderingen van de man werden grotendeels afgewezen, waarbij werd overwogen dat de man mocht executeren maar de vrouw de mogelijkheid moest krijgen een eerste bod te doen tegen de actuele marktprijs.